vrijeschoolonderwijs

Wat is vrijeschoolonderwijs?

Bij vrijeschoolonderwijs staat de persoonlijke ontwikkeling van het kind centraal. Dit betekent dat kinderen volop de kans krijgen om hun eigen talenten te ontdekken en te ontwikkelen.

Vrijescholen vallen onder het algemeen bijzonder onderwijs. Vakken zoals muziek, toneelspelen, beweging en handvaardigheden zijn in het vrijeschoolonderwijs net zo belangrijk als lezen, schrijven en rekenen.

Hoe ‘vrij’ is een vrijeschool?

Bij de term ‘vrijeschool’ wordt weleens gedacht aan een school waar kinderen zonder regels en structuur lekker vrij kunnen ronddartelen. Maar wat ermee wordt bedoeld is dat de school de vrijheid wil om haar pedagogische visie te kunnen realiseren, zonder bemoeienis van de overheid. De leerlingen krijgen de vrijheid om hun eigen talenten te ontdekken en te ontwikkelen. Daarom ligt op een vrijeschool de nadruk niet op het vergaren van kennis, maar op de persoonlijke ontwikkelingsweg van kinderen.

Leraren

Leerlingen worden niet gezien als een onbeschreven blad, maar als een mens met een eigen talent, een eigen voorgeschiedenis en individualiteit. Het is de taak van de leraren om te ontdekken wat voor verborgen drijfveren en interesses een kind heeft, en om een klimaat te scheppen waarin het kind zich kan ontplooien.

Het onderwijspakket

De vrijeschool biedt een breed onderwijspakket aan. Kinderen leren uiteraard lezen, schrijven en rekenen, maar daarnaast ook vreemde talen spreken, dansen, toneelspelen, tuinieren, zingen en schilderen. Er is veel aandacht voor spiritualiteit, natuur en cultuur. Het onderwijspakket op een vrijeschool is zo breed, omdat ieder kind anders is. Het ene kind is praktisch ingesteld, het ander meer intellectueel en weer een ander is bijvoorbeeld meer sociaal gericht. Al deze verschillende vermogens worden in de vrijeschool aangesproken, zodat ieder kind zijn eigen kwaliteiten optimaal kan benutten.

Vast ritme

Op een vrijeschool is een duidelijke structuur. Elke dag verloopt volgens een vast ritme. In de ochtend krijgen kinderen les in een hoofdvak: rekenen, taal, heemkunde, dier- en plantkunde, aardrijkskunde, geschiedenis of natuurkunde. De rest van de dag zijn er vaklessen die iedere week terugkomen, zoals Engels, Duits, muziek, schilderen, vormtekenen en toneel; en bewegingsvakken als gymnastiek, euritmie, tuinbouw, handenarbeid en handwerken. Het onderwijs in de hoofdvakken wordt ook wel periodeonderwijs genoemd, omdat deze vakken telkens gedurende een periode van 3 tot 4 weken dagelijks gegeven worden.

Veel beweging

In alle lessen, dus ook  bij het taal- en rekenonderwijs is er beweging. Het is namelijk niet alleen belangrijk dat een kind de lessen begrijpt, maar ook dat hij er volop actief mee bezig is. Daarom wordt er tijdens de lessen veel met handen en voeten gewerkt. Klappen, lopen, rennen, springen en dansen: het hoort in elke les thuis. Er wordt bijvoorbeeld lopend gerekend, en om de taallessen eigen te maken, wordt er gedanst en geklapt. Vakken als tuinbouw, houtbewerken en techniek zijn vanaf klas 4 (groep 6) praktische lessen, waar met de handen wordt gewerkt. Hersenfuncties zijn mede afhankelijk van lichaamsmotoriek. Daarom zijn motorische oefeningen een belangrijk onderdeel van elke les.

Geschiedenis van het vrijeschoolonderwijs

Het onderwijs op vrijescholen is gebaseerd op de antroposofische opvattingen van Rudolf Steiner, de grondlegger van het vrijeschoolonderwijs. Steiner kreeg in 1919 de leiding over een school in Stuttgart. Naar dat voorbeeld werd in 1923 de eerste vrijeschool in Nederland geopend, in Den Haag. Deze school werd het uitgangspunt van de vrijeschoolbeweging in Nederland.