Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

antiracistisch opvoeden
door

Antiracistisch opvoeden: zo doe je dat

Het laatste wat journalist Brechje de Koning wil, is haar kinderen onbewust ongelijkheid of racisme aanleren. Maar hoe pak je dat eigenlijk aan? Ze gaat op onderzoek uit.

Vorig jaar zag mijn zoon Lasse (toen 3 jaar) rond 5 december een abri met daarop een zwarte Sint, een aankondiging voor een alternatief sinterklaasfeest. ‘Kijk, die sint heeft een zwarte baard,’ was het enige wat hij opmerkte. Ik vond ’t mooi, de hele Sint was zwart, maar hem viel alleen die baard op. Zolang kleur hem niet opvalt, ga ik hem daar niet op attent maken, dacht ik. Ging ik even de mist in.

Advertentie

Other Race Effect

Want wat blijkt: als een baby negen maanden oud is, kan hij al mensen met verschillende etnische achtergronden onderscheiden. Tegelijkertijd herkent hij de uiterlijke verschillen binnen een etnische groep steeds minder goed als hij niet vaak met die groep in aanraking komt. Dat noemen ze het Other Race Effect: waardoor westerse mensen bijvoorbeeld vinden dat alle Chinezen op elkaar lijken. En Chinezen het weer moeilijk vinden om witte mensen uit elkaar te houden.

Veilig gevoel

Ik praat erover met Judi Mesman, hoogleraar op het gebied van diversiteit in opvoeding aan de Universiteit Leiden: ‘Kinderen kunnen onderscheid maken simpelweg omdat ze ogen hebben en kleur zien. Maar ze hebben ook al vanaf jonge leeftijd voorkeuren die gebaseerd zijn op huidskleur en etniciteit. Evolutionair gezien zou je dat kunnen verklaren: een baby herkent de groep waartoe hij behoort als veilig. En ziet dan iets wat ‘anders’ is als potentieel gevaar.’

Het categoriseren van mensen gebeurt in die jonge jaren dus nog grotendeels onbewust. Maar als kinderen wat ouder worden, vormen ze hun mening over andere etnische groepen gebaseerd op wat ze expliciet maar vooral ook impliciet meekrijgen van hun ouders, op school en in de media. ‘Dat kan iets kleins zijn, zoals een juf die het zalmroze potlood huidskleur noemt,’ legt Mesman uit. In een onderzoek waarin Mesman 150 witte kinderen tussen de 6 en de 8 jaar op basis van foto’s vroeg naast wie ze wilden zitten, koos zo’n 70 procent een wit kind. Op de vraag naast wie de kinderen niet wilden zitten in de klas, wees 80 procent een donker kind aan.

Onbewust

Schokkend, vind ik dat. En het is niet het enige onderzoek met zo’n resultaat. Uit een Amerikaans onderzoek (Katz 1997), kwam naar voren dat kinderen vanaf een jaar of twee het liefst spelen met kinderen uit de eigen etnische groep, maar ook dat vanaf een jaar of drie de voorkeur van de meeste kinderen verschuift – ook van de kinderen van kleur – naar een wit speelkameraadje. Mesman: ‘Vanaf die leeftijd krijgen ze meer oog voor de maatschappelijke status van verschillende groepen. Niet omdat ze dat al begrijpen, maar de impliciete boodschappen in de samenleving dat bepaalde groepen ‘minder’ zijn dan anderen, nemen ze onbewust mee.’

Het is er

Als het zo ingebakken zit in de mens om onderscheid te maken, hoe kun je racisme dan voorkomen bij jezelf en bij je kind, vraag ik me af. Ik vraag het Jillian Emanuels, pedagoog en trainer in antiracistisch opvoeden: ‘Ik zeg altijd: begin met het onderzoeken van je eigen kennis en vooroordelen. Voor ouders is het vaak een eyeopener als ze zich bewust worden van institutioneel racisme.’ Dat de Belastingdienst de aangifte van iemand met een dubbele nationaliteit strenger controleert bijvoorbeeld. Of dat scholieren met een niet-westerse achternaam minder kans maken op een stageplek.

Normaliseren

Ik denk bij racisme aan de extremen, terwijl ik zelf misschien ook onbewust racistisch gedrag vertoon. Houd ik mijn tas onbewust steviger vast als ik een zwart persoon zie? Praat ik anders tegen iemand die een hoofddoek draagt? Ik mag hopen van niet. Helemaal als je beseft dat kinderen van drie dat al overnemen. Aan kinderen vanaf een jaar of acht kun je uitleggen dat iedereen gelijkwaardig is, maar helaas niet gelijk behandeld wordt en hoe dat komt. Emanuels: ‘Bij witte kinderen onder de vier is het vooral van belang dat ze weten dat er mensen zijn die er anders uitzien dan zij. Zwarte kinderen weten dat vaak al omdat de norm om hen heen wit is. ‘Je kunt ze bijvoorbeeld aan de hand van een boekje met een zwarte held(in) of een klassenfoto uitleggen wat huidskleur is. Benoem het feitelijk. Lichtbruin, beige, donkerbruin. Dat sluit aan bij hun waarneming. En op die manier normaliseer je het zien van huidskleur ook.’

Lees ook: Alles over het beginnen met opvoeden van je kind

Kleurenblind

Ik denk aan wat ik van thuis heb meegekregen, opgegroeid in hagelwit Mook, een klein plaatsje in Noord-Limburg. Mijn moeder werkte op de kinderafdeling van een Nijmeegs ziekenhuis en daar kwamen adoptiekindjes voor onderzoek langs. Mijn moeder vond dat bijzonder en gaf mij een zwarte pop. Eerder toeval dan het resultaat van een doordachte pedagogische overtuiging. Kleur bespraken we niet specifiek. Ieder mens is gelijkwaardig en behandel je met respect, was de boodschap thuis. Ik geloof dat ik aardig open-minded ben opgedroogd, maar toch schiet de ‘kleurenblindstrategie’ waarmee ik ben opgevoed tekort volgens Emanuels. ‘Het probleem met de stelling: kleur speelt geen rol is dat het niet zo is,’ legt ze uit. ‘Op basis van huidskleur wordt nog altijd onderscheid gemaakt. Door te zeggen dat kleur geen rol speelt, ontken je dat onderscheid en negeer je de negatieve ervaringen van zwarte mensen. Witte kinderen herkennen racisme zo niet, laat staan dat zij er iets aan kunnen of willen doen.’

Niet anders

Vragen waar iemand écht vandaan komt; een crèchejuf die de moeite niet neemt een naam goed uit te spreken, als kind al gevolgd worden door een beveiliger in de supermarkt. Het is vaak het onbewuste racisme – goedbedoeld of niet – waar mensen tegenaan lopen. ‘Er zijn niet alleen grote racistische ervaringen, maar ook kleine dingen waar een persoon van kleur jaar in jaar uit mee wordt geconfronteerd,’ zegt Emanuels. ‘Door steeds de nadruk te leggen op iemands anders zijn, geef je iemand het gevoel dat hij of zij er niet bij hoort, niet goed genoeg is. En dat begint al jong. Ik zie bij sommige zwarte kinderen dat ze graag wit willen zijn. Een handdoek om hun hoofd draaien en zo sluik haar imiteren omdat dat is wat ze zien in boeken en tekenfilms. Dat heet geïnternaliseerd racisme en dat kan zich uiten in een negatief zelfbeeld. Voor een kind van kleur is het belangrijk dat hij zich ervan bewust is dat wat andere mensen zeggen en doen te maken heeft met de onwetendheid van die mensen en niet met wie hij is.’

Benoemen is onderscheiden

De veelbesproken test met witte en zwarte poppen uit Sunny Bergman’s documentaire Wit is ook een kleur, maakt pijnlijk duidelijk hoe jong kinderen al oordelen. Kinderen van vier tot zeven jaar vonden ongeacht hun eigen huidskleur de witte poppen slimmer en leuker en minder stout dan de zwarte. Op de vraag wie de baas is, concludeert alleen de witte Sophie: ‘Niemand is toch de baas?’ De rest wijst voornamelijk de witte pop aan. Het verschil in opvoeding? Veel – overwegend linkse – ouders hadden de kleurenblindstrategie toegepast: als je zelf niet discrimineert, doet je kind dat ook niet. Thuis wordt niet gesproken over verschil in kleur, met het idee: als je het benoemt is het net alsof je zélf onderscheid maakt.

Práát erover

Sophies ouders waren juist wel het gesprek over racisme met haar aangegaan. Erover praten helpt dus? ‘We denken van wel,’ zegt Mesman, die op dit moment onderzoek doet naar de rol van de opvoeders bij vooroordelen van kinderen. ‘Maar eigenlijk weten we er nog weinig over. Wat we zien in aanverwant onderzoek uit het bedrijfsleven is dat kleur en verschil negeren leidt tot minder goede relaties tussen mensen van verschillende etnische afkomst in een bedrijf. Bij organisaties die ‘verschillend-zijn’ als uitgangspunt nemen, nemen de vooroordelen juist af. Minderheidsgroepen voelen zich meer geaccepteerd als verschillen bespreekbaar zijn.’

Wat zie je?

Ook onderzocht en bewezen is de contacthypothese. Mesman: ‘Volgens deze hypothese ontwikkelen kinderen binnen een etnisch diverse omgeving minder vooroordelen. Tenminste, als het contact aan een aantal kenmerken voldoet, zoals gelijkwaardigheid. Voor kinderen in een minder gedifferentieerde omgeving, treedt die positieve werking ook op als ze boekjes lezen of films zien waarin bijvoorbeeld een wit en een zwart kind met elkaar bevriend zijn.’

Multiculturele wereld

Lasses wereld is behoorlijk multicultureel. Een dwarsdoorsnede van de Amsterdamse bevolking heeft zijn luiers verschoond en hem getroost. Inmiddels zijn we verhuisd naar Amsterdam Noord. Daar speelt hij met zijn Moluks-Nederlandse vriendinnetje en knuffelt hij met haar Senegalees-Nederlandse broer met het syndroom van Down. Het zal hem helpen minder bevooroordeeld te zijn. Toch zal hij opgroeien in een maatschappij waarin vooralsnog de meeste ministers, wetenschappers en superhelden wit zijn.

Waarin zijn klasgenootje Ismaël bij dezelfde prestaties als hij mogelijk een lager schooladvies krijgt. Fietsen we straks naar de basisschool dan rijden we langs dure dijkhuisjes waar witte moeders op bakfietsen hun kroost naar vioolles brengen. Haal ik hem op van de BSO dan passeren we oude hoogbouw waar gekleurde jongens voetballen tussen de flats en veel vrouwen een hoofddoek dragen. Emanuels: ‘Daarom is het zo belangrijk om te ondertitelen wat je kind ziet. Praat over diversiteit en huidskleur en wat racisme is. Juist om te voorkomen dat je kind onbewust racistische gedragingen overneemt. Doe je dat niet dan neemt hij wat hij waarneemt in de maatschappij als norm.’

Lees ook: Deze 5 tips helpen je met opvoeden in het openbaar

Ongemakkelijk

Kleur en racisme bespreken is voor veel witte mensen even ongemakkelijk als een marathon lopen met een steentje in je schoen. Uit een wetenschappelijk spelletje Wie is het? duiden veel witte proefpersonen een zwart jongetje liever aan met zijn blauwe shirt dan dat ze zijn kleur benoemen. Mesman: ‘Mensen zijn bang om racistisch over te komen, maar juist dat ongemak voelen kinderen. Als je een gesprek over kleur en racisme aangaat, bedenk dan goed wat je wilt zeggen. Anders wordt het een gehakkel en gedoe en denkt een kind: dat is een eng onderwerp. Daar heb ik het liever nooit meer over.’

Prachtig bruin

Ik realiseer me dat ik met Lasse ook nog nooit over huidskleuren heb gepraat. Ik wil de aandacht niet vestigen op huidskleur als hij daar zelf niet mee komt. Emanuels: ‘Het benoemen van huidskleur is niet gekoppeld aan racisme. Dat is pas zo als je er een oordeel aan hangt. Ik zat een keer in de bus en een kind van een jaar of drie riep: “Die meneer is donkerbruin!” De moeder zei: “Sst, dat mag je niet zeggen.” Zo maak je van praten over kleur een taboe. Had ze gezegd: “Inderdaad hij is prachtig bruin en kijk, jij bent mooi beige,” dan was er niets aan de hand. Als wit persoon heb je het privilege om overal te functioneren los van je huidskleur. Je hoeft je niet bezig te houden met racisme, omdat het je niet benadeelt. En dat zorgt denk ik ook voor ongemak.’

Alert blijven

De dochter van Mesman kwam laatst thuis met een vriendinnenboekje. ‘Daarin stond: op welk topmodel lijk jij het meest? Er stonden wel tien modellen in, maar niet een die bruin is. Als je een zwart vriendinnetje hebt, kan ze niemand aankruisen. Je van dit soort dingen bewust zijn en je kind erop attenderen, daar gaat het om. Een radar ontwikkelen voor buitensluiten, maakt bij witte kinderen veel verschil. Als klasgenootjes aan mijn kinderen vragen: “Mag ik het huidskleurige potlood?” Zeggen ze: “Welke huidskleur?”’

Emanuels voegt toe: ‘En realiseer je: het is net als met seksuele voorlichting, daar ben je ook niet klaar met één gesprek over de bloemetjes en de bijtjes. Het antiracistisch gesprek voer je steeds opnieuw naar aanleiding wat er in de wereld en je omgeving gebeurt.’

Het proces

Praten over racisme is een proces dat zich verdiept als je je er zelf ook in verdiept, merk ik. Door er meer over te lezen, kan ik beter aan witte vrienden uitleggen waar de pijn van mensen van kleur zit, ook al kan ik ’m zelf niet voelen. En ik begrijp beter waar ik op kan letten als ik mezelf en Lasse antiracistisch wil opvoeden. Ook al is hij er nog niet bewust mee bezig, ik neem hem mee naar Het Tropenmuseum om de norm in zijn onderbewuste alvast te verruimen. Ik wijs hem op de mensen in de wereld in verschillende kleuren en kleren. ‘Mooi vind ik dat. Het zou saai zijn als we allemaal hetzelfde uitzagen,’ zeg ik. ‘Jahaa,’ antwoordt hij. Hij rent naar het beeld van een Balinees vruchtbaarheidssymbool en roept: ‘Wauw, een grote draak!’ Maar goed, de reis is begonnen.

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Tekst: Brechje de Koning, beeld: Shutterstock

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.