Soms gaat het anders
door

Mart kreeg met 22 maanden een herseninfarct: ‘Opeens was hij verlamd’

Sanne (35) heeft nogal wat meegemaakt de afgelopen zes jaar: haar beide zoons, Stijn (nu 6) en Mart (nu 4), belandden – afzonderlijk van elkaar – in het ziekenhuis. ‘Ik heb weleens gedacht: waarom kozen we voor kinderen?’

‘Het begon allemaal tijdens mijn eerste zwangerschap. Jeroen en ik waren bij de verloskundige voor de dertigwekenecho. Ik zat nog midden in mijn werk, had de dag ervoor als verpleegkundige mensen gewassen in het ziekenhuis en moest daarvan bijkomen, want fysiek werd het werk zwaarder. Mijn benen waren opgezet en ik was moe, maar dat was niet iets waarover ik me zorgen maakte. “De baby is veel te klein,” zei de verloskundige geschrokken. Daarna zag ze dat mijn bloeddruk torenhoog was, dus ze stuurde ons meteen naar het ziekenhuis.

Advertentie

In de auto voelde ik me steeds slechter. Ik kreeg hoofdpijn en het voelde alsof er boven in mijn buik een riem werd aangesnoerd. Dat zal de stress wel zijn, dacht ik, maar in het ziekenhuis bleek al snel dat ik een heftige zwangerschapsvergiftiging had. Snel werd ik aan een infuus gelegd, in de hoop dat mijn bloeddruk naar beneden zou gaan, maar ik werd alleen maar zieker en zieker. De gynaecoloog gaf me een medicijn waardoor de longen van de baby sneller zouden rijpen. Ze gingen hem dus halen?! Ik was bang dat er iets mis zou gaan met ons kind, maar ik was óók bang voor mezelf. Ik wist dat ik kans had op epileptische aanvallen. Uiteindelijk wisten de artsen het nog twee dagen te rekken en werd onze zoon met 31 weken gehaald.

Lees ook: Luisteren naar de hartslag van je baby met een doppler of doptone, is dat veilig?

Niet nu al

Ik wil nog geen moeder worden, dacht ik tijdens de keizersnee. Ik ben er nog helemaal niet klaar voor! Maar toen ik Stijn zag, was ik meteen trots. Hij moest direct in de couveuse en ik kon hem pas drie uur later bewonderen. Zo klein en fragiel. Ik was bezorgd, maar ook opgelucht. “We zijn er tenminste nog,” zei ik tegen Jeroen. Daarbij had ik natuurlijk geen flauw idee hoe een normale bevalling kon verlopen. Stijn moest een week in het gespecialiseerde ziekenhuis blijven en mocht daarna naar een ziekenhuis bij ons in de buurt. Alles leek goed te gaan, totdat we hem op een avond bezochten. “Hij is niet zichzelf,” zei de verpleegkundige. “Er klopt iets niet.” Ze had gelijk. Stijn bereikte al snel een ondertemperatuur en gilde het uit van de pijn. Met spoed werd hij aan de beademing gelegd en naar een academisch ziekenhuis gebracht. Wij konden alleen maar vanaf de zijlijn toekijken.

Ik klampte me vast aan artsen, wilde horen dat alles goed zou komen, maar iedereen was bezorgd. Stijn bleek een darminfectie te hebben. Dat is heel gevaarlijk voor premature baby’s. Zo werd mijn kind, dat nog veilig in mijn buik had moeten zitten, naar de OK gereden. Ze moesten hem opereren om te kijken hoe ernstig het was. Toen zakte de vloer onder mijn voeten vandaan. Ik was verlamd door angst. Wat als we hem zouden verliezen? “We kunnen niets voor hem doen,” zei de chirurg na afloop. “Zijn darmen zijn flink ontstoken, maar hij moet de ontsteking zelf opruimen.” Het was maar de vraag of dat zou lukken. Jeroen en ik leefden in een roes. We klampten ons vast aan elk teken van herstel en na drie dagen knapte Stijn, tot onze grote opluchting, op.

Zorgeloze tweede

Inmiddels is Stijn zes en een vrolijke, gezonde en sociale jongen. Iedereen mag hem graag. We merken alleen dat hij op sommige punten moeilijk meekomt op school. De puntjes op de ‘i’ ontbreken bij hem af en toe. Niet zo gek, zeggen artsen, want hij heeft als baby superhard moeten vechten. Het kan zijn dat dit invloed heeft gehad op zijn hersenontwikkeling.

Stijn was twee toen Mart werd geboren. Zijn broertje kwam met 39 weken, gewoon zoals het hoort. Ik had een heerlijke kraamtijd en genoot van al het bezoek dat we kregen. Toen pas besefte ik wat we hadden gemist na de geboorte van Stijn. Mart werd het kind over wie we ons nooit zorgen maakten. Hij ontwikkelde zich goed en was vrolijk en actief. Totdat ik hem, 22 maanden oud, op een ochtend uit bed haalde. Hij zakte door zijn benen en was hangerig. De week daarvoor had hij een loopoor gehad, dus ik vond het niet zo gek dat hij zich slap voelde. Nadat hij lang op schoot had gezeten, zette ik hem aan tafel in de kinderstoel. Ik legde een boterham voor zijn neus en zag tot mijn schrik dat hij zijn linkerarm niet kon bewegen. Ook de linkerkant van zijn gezicht leek op een vreemde manier te hangen. Ik filmde hem met mijn telefoon, zodat ik de dokter kon laten zien wat er gebeurde. Een uur later zaten we in de wachtkamer. Mart was vrolijk en rende weer rond, dus ik dacht: zitten we hier nu voor niets? Maar toen de huisarts het filmpje zag, stuurde ze ons meteen door naar het ziekenhuis.

Dikke pech

Daar zaten we weer. Deze keer met ons andere kind. De angst bekroop me: wat als Mart een hersentumor had? Artsen deden uitgebreid onderzoek en de volgende dag kreeg hij een MRI-scan. Toen we Mart die dag uit bed tilden, zagen we dat de linkerkant van zijn lichaam nu helemaal verlamd was. Hij kon niets meer. Ik was zo verschrikkelijk bang. “Mart heeft een herseninfarct gehad,” zei de arts, toen hij na de MRI met een bezorgd gezicht binnenkwam. “We kunnen niet inschatten hoe erg dit is. Dat hangt van de reden af.” Het was niet de eerste keer dat ik dacht: waarom hebben wij voor kinderen gekozen? Nu ze er waren, betekenden ze álles voor me, maar ik kon alle zorgen en de angst om ze te verliezen niet aan.

Uit een punctie bleek dat Mart een herseninfarct had gehad als gevolg van het waterpokkenvirus. Dat gebeurt zéér zelden en is gewoon dikke vette pech. Hij kreeg prednison en moest revalideren in een revalidatiecentrum. Daar leerde hij opnieuw lopen en na een maand kon hij zijn linkerarm gelukkig weer bewegen. Daarna volgden er thuis nog veel therapieën. Inmiddels kan Mart alles weer, maar hoe ouder kinderen worden, hoe meer last ze kunnen krijgen van de gevolgen van een herseninfarct. Bij Mart uit zich dat in lopen, dat doet hij op zijn tenen. Daarom moet hij de rest van zijn leven een spalk dragen.

Onder een vergrootglas

We weten niet precies wat Stijn en Mart aan hun geschiedenis hebben overgehouden. Ze worden nog steeds goed in de gaten gehouden door artsen, maar dat betekent ook dat ze soms onder een vergrootglas worden gelegd. Mart kan bijvoorbeeld superdruk zijn. Dan rent hij verhit door het huis en krijg je hem met geen mogelijkheid rustig. Dat kan een gevolg zijn van het herseninfarct óf het is gewoon karakter. Voor het infarct was hij namelijk ook al ondernemend. En Stijn heeft soms moeite met plotselinge veranderingen. Hij vindt situaties snel eng. Dat kan ook in zijn karakter zitten óf er gaat iets niet goed in zijn hersenen. Zelf heb ik een onbezorgde jeugd gehad en ik had mijn jongens hetzelfde gegund. Als Mart straks wil sporten met andere kinderen, zal hij altijd opvallen en anders bewegen. Het lijkt me vreselijk als hij daarmee zou worden gepest. Toch wil ik ook niet te beschermend zijn. Daarom hebben we Mart vorige week gewoon ingeschreven voor kaboutervoetbal.

De laatste jaren heb ik veel bewondering gekregen voor kinderen. Ze zijn zo flexibel en vinden altijd een manier waarop iets wél kan. Stijn en Mart zijn allebei gek op carnaval. Mart wil verkleed als piraat en Stijn als politieagent. Dan staan ze te joelen en dansen tijdens de carnavalsoptocht. Het ziekenhuis waarschuwde ooit dat ze beiden overgevoelig kunnen zijn voor prikkels. Stijn door zijn vroeggeboorte en Mart door het infarct. Maar ik merk er niets van. Of het nu om carnaval, een sinterklaasintocht of een verjaardagspartijtje gaat: ik zie ze genieten. Mijn schoonouders hebben een boerderij en daar rennen ze samen door de koeienstal. En met opa op de tractor is ultiem geluk. Dat maakt me trots. Ze laten zich door niets of niemand weerhouden. Mensen zeggen vaak: wat een pech hebben jullie gehad! Dat is natuurlijk zo, maar we hebben óók geluk dat we er zo goed uitgekomen zijn. Het had met beide kinderen veel erger kunnen aflopen. Dat beseffen we elke dag.’

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Tekst: Albertine Otten

Lees ook: Soms gaat het anders: ‘Wat zeur ik nou? Ik heb toch al een kind?’

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.