Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 
door

Soms gaat het anders: 'Hoe dichter we bij school kwamen, hoe langzamer hij liep'

Toen Floors zoon Gijs vier werd, was hij in theorie klaar voor de basisschool. Maar in de praktijk was hij dat niet. ‘Als we hem ’s middags ophaalden, kon hij alleen maar overgeven.’

‘Gijs werd ruim twee weken te laat geboren en dat is typerend voor zijn karakter. Waarom zou je haast maken als het ook lekker op je eigen tempo kan? Als baby was hij wakker en alert. Een sensitief ventje, hij wist precies bij wie hij wél en helemaal niet op schoot wilde. Als het druk werd op een verjaardagsfeestje, schreeuwde hij net zo lang totdat ik hem meenam naar een rustige plek. Daar viel hij meestal in slaap: zijn manier om prikkels te verwerken.

Advertentie

“Waar is Gijs?” vragen Pieter en ik vaak aan elkaar. Hij kan namelijk eindeloos alleen spelen. Dan ligt hij achter de bank met zijn autootjes te klooien. Hij is sociaal en kan prima met andere kinderen overweg, maar er komt altijd een moment waarop hij zich terugtrekt. Even opladen. Een boekje lezen.

Kort lontje

Toen Gijs tweeënhalf was, ging hij twee keer per week naar de peuterspeelzaal. Voor die tijd was ik veel thuis, dus van een crèche hebben we nooit gebruikgemaakt. Hij kon altijd in één streep door naar bed als ik hem aan het einde van de ochtend ophaalde. Vaak moest ik hem na drie uur wakker maken en dan was hij poepchagrijnig. Hij had een kort lontje, smeet soms zijn speelgoed door de kamer. We hadden het idee dat hij indrukken die hij op de peuterspeelzaal had opgedaan, maar moeilijk kon verwerken. Dat wordt nog wat als hij straks met dertig kinderen in een klas zit, dacht ik weleens.

Toen hij eindelijk een beetje gewend was aan de peuterspeelzaal, werd Gijs alweer vier. Plotseling moest hij vijf ochtenden in de week tot één uur naar school. “Ik vind school stom!” klaagde hij al op dag één. Ik hield mijn hart vast, want ik herkende zijn vermoeide blik. Na twee weken ging het dan ook bergafwaarts. Gijs werd lijkbleek, bijna doorschijnend, en zijn huilbuien begonnen weer. Soms ging hij helemaal door het lint. Dan kwamen we na school thuis en moest ik hem tien minuten in de houdgreep nemen, terwijl hij als een malle om zich heen sloeg. Ik aaide over zijn rug terwijl ik zachtjes zong. Uiteindelijk voelde ik zijn gespannen lijf ontladen. Dan ging hij rustig spelen of viel als een blok in slaap.

Elke week koorts

Al snel ontstond er een patroon. Gijs sleepte zich door de maandag en dinsdag heen, maar op woensdag ging het mis. Op die dag nam de juf alle kleuters mee naar het bos. Superleuk, maar voor Gijs was dat te veel. Hij ziet namelijk álles en neemt zijn omgeving op als een spons. In het bos waren veel indrukken, rondrennende kinderen: minder structuur en duidelijkheid. Na de woensdag klaagde hij dan ook over buikpijn en hoofdpijn, en op donderdagochtend had hij vaak koorts. Dan lag hij met vuurrode wangen en traanogen in bed. “Ik wil niet naar school, mama!” smeekte hij. “Daar is het veel te druk!” Ik had vreselijk met hem te doen, herkende veel van mezelf in hem. Als kind had ik ook opstartproblemen op school, waardoor ik veel last kreeg van migraine. Gijs begon weer in bed te plassen.

“We houden hem vanaf nu gewoon thuis op woensdag,” zei ik tegen Pieter. “Hij heeft een adempauze nodig, in het midden van de week.” Pieter was het met me eens, want hij zag ook dat er niets van onze vrolijke Gijs overbleef.

Even ging het beter. Op woensdag sliep Gijs een groot deel van de dag en las hij veel boekjes. We kwamen het huis die dag nauwelijks uit, hij had alle tijd nodig om op te laden. Ook de weekenden hielden we rustig. Een beetje knutselen, tekenen en af en toe een blokje om. Als we een verjaardag hadden, bleef een van ons thuis met Gijs. Toch was dit rustige tempo niet genoeg, want na een paar weken werd hij weer bleker en bleker. Hij huilde veel en was vreselijk moe. “Gijs is net een spook,” zei Pieter ongerust. We hadden hem die middag opgehaald en hij kon alleen maar overgeven. Hij was gewoon nog niet klaar voor school. Zijn hele lijf verzette zich ertegen. Ik kwam op een punt dat ik dacht: desnoods stop ik tijdelijk met werken, maar ik hou hem gewoon thuis. Je kon mij niet wijsmaken dat dit een fase was waar we even doorheen moesten. Toch wilde Pieter het nog twee weken aankijken. “Als het dán niet beter gaat, geef ik je helemaal gelijk,” beloofde hij.

Fysieke reactie

Voor onze andere kinderen, Sebastiaan en Jasmijn, was het ook niet makkelijk. Als Gijs huilend uit school kwam, moesten ze dekking zoeken. Ze hoefden maar in de weg te staan of hun broertje werd fysiek. Met een ballon in mijn hand probeerde ik uit te leggen wat er aan de hand was. “Door alles wat er op school gebeurt, is het hoofd van Gijs net een opgeblazen ballon,” zei ik. “Er kan geen lucht meer bij en als je prikt, ontploft hij.” “Je vindt school écht niet leuk hè Gijs?” vroeg Sebastiaan dan. “Nee, school is écht stom,” zei z’n kleine broertje.

Lees ook: Je kind wil niet naar school: wat kun je doen?

Om de overgang van huis naar school wat soepeler te maken, nam ik uitgebreid de tijd om de kinderen naar school te brengen. We gingen vaak lopend, zodat Gijs rustig om zich heen kon kijken. Hij zocht naar torretjes op de stoep, plukte madeliefjes en schopte tegen steentjes. En hoe dichter we bij school kwamen, hoe langzamer hij ging lopen. Eenmaal in de klas zei hij: “Ga maar door de voordeur naar buiten, mama.” Hij bedoelde dat ik niet, zoals andere ouders, bij het raam moest gaan staan zwaaien. Daarvan moest hij huilen en dan wilde hij nóg liever naar huis.

De twee weken waren bijna voorbij toen Gijs midden in de nacht tussen ons in kwam liggen. Hij huilde en klampte zich aan me vast. “Ik wil niet naar school,” smeekte hij. Pieter en ik keken elkaar aan en ik fluisterde: “Dat is goed, lieverd. Het is genoeg geweest. We stoppen ermee.” Ik zal nooit vergeten hoe zijn hele lichaam ontspande. Een zucht vanuit zijn tenen: “Ja, dat wil ik mam.” In no time sliep hij.

Gepikeerde juf

“Waar is Gijs?” vroeg zijn juf toen ik die volgende ochtend in mijn eentje haar klas binnen liep. Ze keek me verbaasd aan toen ik vertelde dat we hem voorlopig thuishielden. Ik legde haar uit dat school nog te veel voor hem was. Dat hij continu ziek en doodongelukkig is. “Maar hij doet het zo goed in de klas!” antwoordde ze. Ze vond hem rustig en leergierig. Dat geloofde ik best. Dat hij op school zijn best doet en op zijn tenen loopt, en het er thuis allemaal uitkomt. Ze reageerde gepikeerd, zei dat ze het echt heel raar vond. Dit nog nooit eerder had meegemaakt: ouders die hun kind uit de kleuterklas halen. Ik was inmiddels zo ver dat het me niets interesseerde wat anderen van onze keuze vonden. “Nou ja, het is jullie beslissing,” besloot ze. “Hij is nog niet leerplichtig, dus jullie kunnen doen wat jullie willen.”

Zo haalden we Gijs van school. De reacties in onze omgeving waren verdeeld. Mijn ouders vonden het in eerste instantie allemaal erg vreemd. Toch zagen zij ook wel dat Gijs zich ellendig voelde, dus ze draaiden al snel bij. Mijn vriendinnen en een aantal ouders van school waren begripvol. “Dit hadden wij ook voor onze kinderen moeten doen,” zeiden sommigen.

Eindelijk gewend

Met Gijs ging het al snel beter. We hoorden hem weer lachen en zijn oude energie kwam terug. Hij stond uitbundig te springen op de trampoline en klom trots in het klimrek. Ik herkende mijn positieve, spontane ventje weer. Ik ben ervan overtuigd dat Gijs hoogsensitief is. Hij verwerkt prikkels op een andere manier, ziet álles en is gevoelig voor sfeer. Ook heeft hij moeite met het reguleren van zijn emoties. Toen we Gijs van school haalden, was ik al bekend met hoogsensitiviteit, omdat ook Sebastiaan en Jasmijn voldoen aan de omschrijving. Ik was al op de hoogte van wat wel en niet hielp. Ik ben me meer gaan verdiepen in het onderwerp en geef trainingen aan andere ouders over het opvoeden van een hoogsensitief kind. In de zomer waarin we Gijs van school haalden, schreef ik er een boek over.

We zijn een jaar verder en Gijs doet het super in de kleuterklas. Hij heeft een nieuwe klas en een nieuwe juf die hem goed kan lezen. “Volgens mij ben je moe, Gijs,” zegt ze weleens. “Kom maar even rustig naast me zitten met een boekje.” Dat maakt al een wereld van verschil, en soms raadt ze ons zelfs aan om hem een dagje thuis te houden. De keuze om hem pas een jaar later naar school te doen, is een van de beste die we ooit hebben gemaakt. Gijs had die tijd nodig om te wennen aan de volgende fase in zijn leven.’