Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 

Soms gaat het anders: 'Het voelde alsof ik onder water leefde'

Na haar eerste bevalling krijgt Katja (39) depressieve klachten. Na de tweede wordt het nog erger. Het is geen postnatale depressie, maar wat dan wel?

‘Ik was 25 toen ik zwanger raakte. Voor die tijd was ik een stuiterbal, altijd blij en opgewekt, maar na de bevalling veranderde dat. Julia werd met veertig weken en vier dagen geboren. Ze lag scheef met haar hoofdje en daarom werd ze uiteindelijk met een spoedkeizersnee gehaald. Na de bevalling voelde ik me niet mezelf. Ik was extreem beschermend, niemand mocht Julia vasthouden. Hulp accepteerde ik niet. Als iemand zei dat ik een zware bevalling had gehad, dan wimpelde ik dat weg. Ik dacht: ik ben veranderd door het moederschap, dat zal er wel bij horen. Achteraf gezien waren het tekenen dat het niet goed ging, ’s Morgens deed ik de gordijnen open, ik draaide mijn vaste programma af en ’s avonds schoof ik de gordijnen weer dicht, blij dat de dag weer voorbij was. Ik zorgde voor Julia en knuffelde haar, maar kon niet echt van haar genieten, niet met haar spelen. Ik kon niet vertederd naar haar kijken zoals ik andere moeders dat zag doen. Het was alsof er een waas tussen mij en de rest van de wereld zat, alsof ik onder water leefde. De verandering ging zo geleidelijk, dat het anderen niet echt opviel. In ieder geval niet genoeg om zich zorgen te maken.

Advertentie

Hallucinaties

Het ging echt mis toen ik weer zwanger probeerde te worden. Julia was een jaar of acht en we wilden graag een tweede kind. Na twee miskramen kort op elkaar was het raak. Ik voelde me in eerste instantie goed, maar na het eerste trimester begon ik te hallucineren. Als ik op het nieuws iets naars zag of ik las iets in de krant wat met kinderen te maken had, was het alsof ik daarbij aanwezig was. De gynaecoloog stuurde me meteen door naar de psychiater. Ik kreeg een middel om de hallucinaties te remmen en kwam onder begeleiding van de POP-poli, omdat gevreesd werd dat ik na de bevalling in een depressie zou raken. Met de maatschappelijk werker en psychiater besprak ik hoe ik me voelde en wat mijn verwachtingen waren. Ik keek uit naar ons kind. We wisten dat het een jongen zou worden en ik was benieuwd of hij op zijn zus zou lijken. Het contact met Julia was tijdens de zwangerschap beter dan daarvoor. Ik betrok haar overal bij. Ze ging mee naar de controles bij de gynaecoloog en ze heeft mijn buik beschilderd. Omdat het steeds beter ging, werd de hulpverlening afgebouwd.

De weg kwijt

De bevalling van Owen was geweldig. Hij werd geboren met een geplande keizersnee, ik wist precies waar ik aan toe was. Ik mocht hem na de
bevalling meteen bij me houden en was helemaal verliefd op ons mannetje. We mochten na een paar dagen naar huis. Owen was een heel tevreden baby. Hij dronk goed, sliep al snel door en huilde bijna nooit. Met hem ging het goed, maar met mij ging het in de maanden die
volgden steeds een beetje minder. Het werd langzaam maar zeker steeds doffer om me heen en ik duwde iedereen weg, inclusief Eduard, mijn man. Alleen Owen hield ik heel dicht bij me. Als vriendinnen belden of appten, verzon ik een smoes. Ik wilde geen bezoek, had geen behoefte om te praten. Het interesseerde me niet meer hoe ik eruitzag. Als Eduard er iets van zei, werd ik zo boos dat hij de confrontatie daarna liever uit de weg ging. Geleidelijk raakte ik de weg steeds een beetje meer kwijt. Owen was een half jaar toen ik kapot ging van de pijn in mijn arm door de bindweefselafwijking die ik heb. De huisarts wilde dat ik zou gaan revalideren, maar ik weigerde alle hulp. Ik zei tegen de doktersassistente dat ik mezelf nog liever van kant zou maken dan dat ik naar het revalidatiecentrum zou gaan. Vervolgens hing ik op. Ik was niet van plan om mezelf iets aan te doen, maar dat wist de huisarts natuurlijk niet. Hij is gelijk naar me toe gekomen. Omdat ik de deur niet opendeed, kwamen de politie en crisisdienst erbij. Ik kreeg antidepressiva. Door de medicatie trokken de wolken in mijn hoofd op, maar ik deed nog steeds alles op de automatische piloot, zonder gevoel. Ik knuffelde de kinderen wel en las ze voor, maar ik nam nooit de tijd om even met ze te kleuren of een spelletje te doen. Owen was een jaar of tweeëneenhalf toen de hallucinaties terugkwamen. Ik zag voor me hoe ik mijn polsen doorsneed en hoe mijn bloed wegstroomde. Dat voelde heel fijn. Alsof het nare gevoel wat ik in me had wegstroomde. Maar ik vond het ook eng, ik wilde alles behalve dood. Voor Eduard was het ontzettend moeilijk. Hij maakte zich grote zorgen en trok zo nu en dan bij de huisarts aan de bel.

Gillende sirenes

Ik werd weer door een psychiater onderzocht en kreeg te horen dat ik geen postnatale depressie had. Ik werd naar de gynaecoloog gestuurd die in mijn dossier keek en zonder verder onderzoek tegen me zei: “Fysiek is er niks mis met je, het zit tussen je oren.” Niemand wist wat er met me aan de hand was, maar ondertussen was iedere prikkel me te veel. Ik kon de kinderen niet om me heen hebben. We zaten samen aan tafel, maar ik was er niet. Ik zag ze niet meer. Zodra mijn bord leeg was, stond ik op en ging ik op de bank liggen. Op een zondag ging bij mij het licht uit. Ik ben opgestaan van tafel en heb aan het aanrecht, met mijn rug naar mijn man en de kinderen toe alle antidepressiva die ik in huis had ingenomen. Daarna heb ik Owen, Julia en Eduard een kusje gegeven en ben boven op bed gaan liggen. Eduard wist meteen: dit is niet goed en rende me achterna. Toen ik hem vroeg: “Wil je goed voor de kinderen zorgen?” flipte hij totaal. Met gillende sirenes ben ik naar het ziekenhuis afgevoerd, waar de artsen nog net op tijd mijn maag hebben kunnen leegpompen. ’s Nachts kwam het besef: wat heb ik gedaan? Ik wilde helemaal niet dood.

Hormonenbom

Eindelijk, na zo veel jaren ellende, kwam de psychiater in het ziekenhuis op het idee om te kijken of hormonen een rol speelden. Samen hebben we in kaart gebracht hoe het met me ging rondom de zwangerschappen, ik moest mijn cyclus vastleggen, opschrijven hoe ik me op welk moment voelde. Sinds de bevalling van Julia waren de maandelijkse dips en hormoonschommelingen steeds heftiger geworden. Achteraf gezien was het niet zo verstandig om gelijk na het stoppen met de pil zwanger te worden. En ook niet om zo kort op elkaar drie keer zwanger te raken. De hormonenbom die daardoor afging, heeft voor veel ellende gezorgd. Ik werd doorverwezen naar een gynaecoloog gespecialiseerd in hormonale zaken. Zij vermoedde dat ik leed aan een premenstruele dysfore stoornis (PMDS), een heftige vorm van PMS. In haar hele carrière had zij het nog nooit zo extreem meegemaakt. Ik kreeg injecties die de hormoonproductie in mijn eierstokken platlegde en binnen een paar dagen werd ik voor het eerst in jaren weer helder. Het was geweldig. Ik zag alles weer, rook alles weer, proefde alles weer. Ik hoorde mijn kinderen giechelen en wist niet dat ze zo konden lachen. Ik zag Eduard weer, mijn ouders, vriendinnen, mijn werk. Opeens kon ik alles weer waarderen, alle kleine dingen die ik zo lang niet gezien had. Ik genoot ervan als mijn kinderen me een tekening kwamen laten zien, als ik met m’n dochter de stad in ging en als ik met Owen speelde. Ik had weer overzicht, was weer gemotiveerd. Na een paar maanden heb ik uiteindelijk samen met de gynaecoloog besloten mijn eierstokken operatief te laten verwijderen. Dit is iets wat bijna nooit gedaan wordt omdat de gevolgen heftig zijn. Door die operatie zou ik in een klap in de overgang komen, en daardoor zou ik meer risico lopen op hart- en vaatziekten, botontkalking en andere kwalen. Maar in mijn geval was het de enige oplossing. In maart 2017 ben ik geopereerd, een feestdag wat mij betreft. Mijn lichaam maakt geen hormonen meer aan die een paar jaar van mijn leven hebben verpest. Ik voel me beter dan ooit tevoren en heb mijn leven weer terug, en daarom omarm ik iedere opvlieger.’