Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 
door

Soms gaat het anders: ‘Mijn energie stroomde weg en ik voelde me hol en uitgeput’

Mischa (35) is getrouwd met Kees (34) en moeder van Rachel (4) en Saskia (6 maanden). Ze raakte tijdens haar tweede zwangerschap volledig uitgeput door de baby die in haar buik groeide.

‘Ik was zevenentwintig weken zwanger en zó slap dat ik in een rolstoel zat. En zelfs daar hing ik in. Van languit liggen en uitrusten, knapte ik niet op. De zwangerschap putte me uit en ik moest nog dertien weken. Nu denk ik: hoe heb ik dat volgehouden?

Advertentie

Powervrouw

Toen ik vier jaar geleden zwanger was van Rachel, voelde ik me een powervrouw. Ik zag er stralend uit, sliep goed, had veel energie en
voelde me mooi. Ook de bevalling ging makkelijk. Kees en ik waren helemaal gek op Rachel, hadden het gezellig met z’n drieën. Maar toen we verhuisden naar een groter huis in een nieuwe stad, tja.. toen begon het weer te kriebelen. Kees stond op het punt om met Rachel naar de dierentuin te gaan, toen ik snel even een zwangerschapstest deed. Het was meteen raak! Kees en ik omhelsden elkaar en hij zei grappend: “Dat is dan ook weer geregeld.”

Misselijk

Nog geen drie dagen na de test begon de misselijkheid. Ineens en heel hevig. “Wie weet is het een tweeling,” zei ik, want dit kende ik niet. Niet alleen overdag hing ik steeds boven de wc, ook ’s nachts was het een drama. Dan lag ik in bed en moest ik steeds naar een emmer grijpen. Ik sliep amper. Best zwaar met een dochter van drie die vroeg weer naast je bed staat. En ook in combinatie met mijn baan. Ik werkte vier dagen als studieadviseur aan een universiteit. Ik modderde wat aan en hield mezelf voor dat het na het eerste trimester over zou gaan. Maar ik maakte me wel zorgen, want ik viel af en was bang dat de baby te weinig voedingsstoffen binnen zou krijgen. Ik experimenteerde wat met eten en kwam erachter dat ik cornflakes redelijk binnenhield. En vlees. Eigenlijk ben ik vegetariër, maar mijn principes zette ik opzij. Mijn moeder stopte onze vriezer vol met verschillende stampotten, omdat mijn maag Hollandse kost accepteerde. In kleine hoeveelheden. Toch werd de misselijkheid niet minder na de eerste drie maanden. Het gebrek aan slaap begon me op te breken. Met veertien weken zat ik bij de huisarts. “Ik functioneer niet meer,” zei ik. Hij was begripvol en ik kreeg medicijnen tegen extreme misselijkheid mee.

Duizelingen

De misselijkheid werd minder, maar daar kwamen andere klachten voor terug. Op een ochtend stond ik naast een collega die me een dossier op haar beeldscherm liet zien. Ik werd licht in mijn hoofd en zelfs toen ik op een stoel ging zitten, bleef ik duizelig. Het voelde vreselijk beroerd. Ik vind het moeilijk te omschrijven, maar het was alsof ik naar de grond getrokken werd. Mijn energie stroomde weg en ik voelde me hol en uitgeput. Ik kreeg steeds vaker dit soort aanvallen. Naar het werk ging ik normaal een stukje op de fiets en verder met de trein, maar al snel lukte dat niet meer en ging ik met de tram. Van de tramhalte naar kantoor was het zes minuten lopen, maar onderweg moest ik minstens drie keer zitten. Als ik het echt niet meer volhield, plofte ik gewoon op de stoeprand. Dan werd ik weer beroerd en was ik bang om om te vallen. Mijn conditie was dramatisch, terwijl ik normaal gesproken altijd fit ben. Ergens wist ik wel: dit is niet normaal. Maar ik wilde het niet toegeven aan mezelf. Ik was zwanger, niet ziek! Ik vond dat ik niet moest zeuren, gewoon moest doorgaan.

Schuldgevoel

Achteraf gezien was dat natuurlijk niet slim. Ik had naar mijn lichaam moeten luisteren, dat liet niet voor niets weten dat ik rustiger aan moest doen. Misschien had ik dan erger kunnen voorkomen. Maar ik was koppig en ik vond mijn werk té leuk om ermee te stoppen. Zo leefde ik op halve kracht, op de automatische piloot. Ik stond extra vroeg op, zodat ik om acht uur op mijn werk was. Dan had ik een uur nodig om bij te komen van de reis en hing ik als een vaatdoek in mijn stoel. Ik probeerde me te focussen op mijn ademhaling en ging dan aan het werk, op pure wilskracht. Vaak was ik rond drie uur helemaal kapot en begon ik mezelf moed in te praten voor de weg naar huis. Op dagen waarop ik Rachel had, deed ik alles zittend. Het lukte me niet meer om te staan, dus speelde ik met haar vanaf de bank. Het was ongelooflijk hoe goed Rachel daarmee omging. Ze is zo lief en zorgzaam. “Mama is te slap om naar je toe te komen,” zei ik soms. Dan kreeg ik een aai over mijn hoofd en ging ze rustig aan tafel zitten kleuren of puzzelen. Haar geduld was mijn redding, maar daardoor voelde ik me ook heel schuldig. Ik was niet de moeder die ze verdiende. Ik kon niet achter haar aan rennen, verstoppertje spelen, niets. Op een ochtend liep ik samen met Rachel naar de brievenbus twee straten verderop, maar het kostte ons een half uur om er te komen, omdat ik steeds moest rusten. Eenmaal daar zaten we op een bankje en keken we naar de treinen terwijl Rachel een koekje at. De terugweg duurde nóg langer, maar thuis zei ze: “Dat was supergezellig,mama!” Ik kon wel huilen. Wat was ik voor moeder als ze dit al leuk vond?

Geen verklaring

Met achttien weken regelde ik een rolstoel en ging weer naar de huisarts. Uit bloedonderzoeken kwam niets afwijkends naar voren. Al mijn waardes zagen er prima uit, dus er was geen medische verklaring voor mijn klachten. “Dit kind kost je veel energie,” zei de arts. “Je hebt serieuze uitputtingsverschijnselen. Daar moet je je bij neerleggen. En je moet minder gaan werken.” Ik was het met hem eens, maar toen ik thuis kwam, begon het te knagen. Wat was ik voor een slap mens? Medisch gezien was er niets met me aan de hand, dus wat zat ik te zeuren? Ik regelde dat ik één, later twee dagen in de week thuis kon werken, maar dat hielp niet genoeg. Mensen om me heen raakten gefrustreerd, omdat ze zagen dat ik mezelf de vernieling in hielp. Mijn beste vriendin verbrak zelfs tijdelijk het contact omdat ze zich zo machteloos voelde.Daar had ze gelijk in, maar het drong toen niet tot me door. Kees wist inmiddels dat boos worden geen zin had. Hij wachtte bezorgd af totdat ik volledig onderuit zou gaan. Pas dan zou ik beseffen waar ik mee bezig was.

Buiten spel

De knop ging om toen ik bij de verloskundige zat. Ik kon niet meer lopen, staan en met moeite zitten. “Als je zo doorgaat, val je om en wat denk je dat er dan met je kind gebeurt?” Ik ging diezelfde week nog met vervroegd verlof. Ik was een mentaal wrak. Voelde me wanhopig. Waar had ik last van? En waarom kon ik nergens lotgenoten op internet vinden? Ik was ook boos op mezelf. Waarom had ik het zo ver laten komen? Emma en Kees hadden niets aan me. Mijn schoonmoeder moest bijspringen omdat ik alleen nog maar kon slapen. De hele wereld draaide, alsof ik dronken was. Ik hoorde gekletter van potten en pannen als Kees en Emma gezellig lachend stonden te koken terwijl ik in bed lag. Ik was geen onderdeel van ons leven samen en dat maakte me verdrietig. En bang. Wat als mijn klachten nooit meer over zouden gaan? Hoe moest ik bevallen? En de kraamweken doorkomen? Borstvoeding, slaapgebrek: dat zou een ramp worden! De verloskundige geloofde dat mijn uitputtingsverschijnselen met hormonen te maken hadden. Dat de klachten zouden overgaan, zodra de baby er was. Daar
klampte ik me aan vast.’

Ineens weer de oude

Met negenendertig weken en twee dagen voelde ik me plotseling de oude. Verbijsterd besefte ik dat ik kon zitten, zelfs lopen! Ik was euforisch en scharrelde als een vrolijke idioot door het huis. Die avond kroop ik eindelijk weer eens achter de naaimachine, voor een pakje voor de baby. Die nacht begon de bevalling. Alles ging soepel, snel en ik voelde me sterk. Binnen vijf uur werd Saskia geboren en op foto’s zie je mij trots en stralend van geluk. Zes dagen later ging ik voor het eerst met haar naar buiten en toen ik zonder problemen naar het einde van de straat liep, barstte ik in tranen uit. Eindelijk zag ik het weer zitten. Hechtingen? Ja! Naweeën? Ja! Gebroken nachten? Ook. Maar het was allemaal niets vergeleken met de ellende daarvoor. Misschien geniet ik daarom nu zo intens van Saskia. Als ik met haar zit, zweef ik op een roze wolk. Vooral als Emma er dan ook nog gezellig bij kruipt.’