peuter flapuit
door

Waarom peuters de meest gênante opmerkingen maken (en hoe je daarmee omgaat)

Altijd fijn, als je peuter er en plein public een ongepaste vraag of opmerking uit knalt. Liefst lekker hard. Hoe red je je hieruit en hoe voorkom je zulke gênante situaties in het vervolg? Nou zo.

Stel je eens de heerlijke schaterlach van een willekeurige vrouw op straat voor. En dat je driejarige dochter dan verrast opkijkt en luidkeels roept: ‘Die mevrouw lacht net als SpongeBob!’ Of, misschien een tikkeltje erger, dat je peuter met oprechte interesse vanuit het winkelwagentje het kassameisje met jeugdpuistjes bestudeert. Zich vervolgens omdraait naar haar vader en zegt: ‘Kijk papa, zij heeft ook de waterpokken!’ Nog zoiets, wijzend naar een zonnende vrouw op het strand: ‘Kijk, die mevrouw heeft veel grotere borsten dan jij, mama!’

Advertentie

Peuters. Zucht. En glimlach. Wat houden we toch van ze, hè? Maar wat hebben ze ook een speciaal talent voor het er-gewoon-maar-even-uitflappen van werkelijk álles wat er in ze opkomt. Haha! Lachen hoor! Jazeker, op zich zorgt die naïeve ongeremdheid best vaak voor lachwekkende situaties. Maar soms ook niet. Of nou ja, pas achteraf. Op het moment zelf kan het namelijk behoorlijk gênant zijn, wil je het liefst twintig keer door de grond zakken met drie vuilniszakken over je heen, trillend en bevend in afwachting tot het allemaal voorbij is. Op Facebook vroegen we onze lezers naar verhalen over dit onderwerp en de reacties stroomden binnen. En eerlijk is eerlijk: wat hebben we gelachen! Hopeloos herkenbaar, verschrikkelijk grappig en o ja, au! Want verreweg de meeste reacties zaten in de categorie ‘zwaar gênant’.

Verwarrende regels

Zo schreef Mieke over haar dochter Nikki (3), die in het ziekenhuis een klein persoon tegenkwam. Opgetogen zei het meisje tegen haar kleine medemens: ‘Wat ben jij een leuk, klein mannetje, zeg. Je lijkt wel een kabouter!’ We zagen meer reacties met het thema ‘kabouter’, en ook de dikke mevrouw, dikke meneer, dikke billen, dikke buik, dikke [vul maar in] ontgaat geen peuter én moet worden benoemd. Ook tv-helden zijn populair waar het pijnlijke peuterobservaties betreft. Die SpongeBob-lach van net, en deze dan: ‘Hé, daar loopt Buurman van Buurman en Buurman’, tegen een vuilnisman met een mutsje op…

Tussen de lachbuien door dringen zich twee vragen op. Hoe komt dat eigenlijk, dat peuters er zomaar van alles uitflappen? En, niet onbelangrijk: wat is een betere reactie dan je peuter (en jezelf) met een vuurrooie kop zo snel mogelijk wegslepen van die penibele situatie? Er moet een relaxte, verantwoorde manier zijn om hiermee om te gaan, toch?

Laten we beginnen bij de eerste vraag. Gerrit Breeuwsma is ontwikkelingspsycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen: ‘Kinderen leren al vroeg dat taal een machtig instrument is, waar je veel mee kunt. Volwassenen hebben duidelijke, onuitgesproken afspraken met elkaar over wat gepast is en wat niet. Die regels kunnen veranderen per situatie – wat bijvoorbeeld thuis mag, mag soms niet bij een ander. Voor peuters zijn die regels nog wat lastig te volgen. Daarnaast heeft een peuter al gauw door wanneer hij iets grappigs zegt: erom lachen is de ultieme beloning.’ Waarmee Breeuwsma overigens niet wil zeggen dat er niet gelachen mag worden. ‘Elke familie heeft wel een grappige anekdote waarvan het schaamrood je nog naar de kaken vliegt als je het in herinnering brengt. Maar voor een kind is het soms wel verwarrend. Flapt hij er iets uit op een familieverjaardag, dan heeft hij de lachers op zijn hand. Vaak wordt dat gedrag dan ook uitgelegd als: och, wat is dat kind toch heerlijk spontaan en openhartig. Maar de volgende dag in de wachtkamer bij de huisarts is datzelfde gedrag ineens ongepast. Een kind kun je dat niet aanrekenen, die moet dat allemaal nog leren.’

Ook lezen: 20x gênante uitspraken van jullie kinderen

Juiste script kiezen

De psycholoog wijst ook op de voorbeeldfunctie van ouders. ‘Zonder dat je het beseft, wordt er binnenskamers heel wat geoordeeld, over Jan en alleman. Een kind is daar vaak getuige van. Als hij er later ineens iets uitflapt wat hij van zijn vader of moeder heeft gehoord, is dat extra pijnlijk. Je weet dat degene tegen wie hij het heeft jóú erop aankijkt, en niet je kind. Wat er in feite gebeurt, is dat het kind niet het juiste script voor de situatie hanteert. Als ouder ben je dan ook continu bezig om je kinderen een zo’n uitgebreid mogelijk repertoire aan scripts bij te brengen, zodat ze dat gedrag niet meer laten zien. Met die scripts bedoel ik dat je het kind gedrag aanleert dat past bij de situatie.’

Maar wat moet Sandy dan doen als haar nichtje over een oude vrouw met een vergroeide rug roept: ‘Kijk nou! Daar loopt een heks!’? Hoe reageert ze daar correct op voor de heks (eh, oude vrouw) en brengt ze haar nichtje ook nog eens bij dat ze in het vervolg beter een ander script kan gebruiken? En hoe leert Fleur haar zoon (volop in de piemelfase) dat het misschien niet zo gepast is om aan elke man die hij tegenkomt te vragen of die net zo’n grote piemel heeft als zijn papa? Hoe pakt Leonie het aan als ze haar peuter tegen een vrouw met veel rimpels hoort zeggen dat haar gezicht helemaal verkreukeld is?

‘Door elke situatie met ze te bespreken,’ weet Breeuwsma. ‘En daar zijn geen speciale lesmomenten voor. De enige manier waarop je je kind bijbrengt hoe ‘het hoort’, is door het kind telkens te corrigeren. Dan gaat hij ineens denken: verdraaid, hier kan ik dit wel doen of zeggen, en daar niet.’

Niet negeren

Ook Breeuwsma schiet af en toe in de lach als hij anekdotes over flapuitpeuters hoort. Vooral de volhouders maken het hun ouders moeilijk. ‘Die mevrouw is dik. Mama! Die mevrouw is dik, toch? Mama? Die mevrouw is dik, toch? Ze is helemaal opgepompt, zie je dat?!’ Het is niet gek dat het kind erover blijft doorgaan als jij hardnekkig probeert de situatie te negeren. Peuters zoeken bevestiging voor wat ze zien en zeggen. ‘Over het algemeen doet zo’n kind ook een keurige, objectieve observatie,’ zegt Breeuwsma. ‘Laat ik het zo zeggen: hij zegt zoiets meestal niet over een dunne mevrouw. Alleen gebruiken peuters zonder het te beseffen private speech, iets waarvan volwassenen weten dat je dat best thuis mag delen, het mag denken, maar niet hardop kan zeggen. Peuters bedoelen het niet als een belediging. Dus haal de kou uit de lucht door bijvoorbeeld te zeggen: “Je mag dat zo niet zeggen. Dat is niet aardig van je.” Juist als het in de lucht blijft hangen, kunnen mensen zich gegeneerd voelen. Het kind rustig en duidelijk corrigeren is voor alle partijen het beste. Je herstelt daarmee als het ware weer de sociale orde, ook al klinkt dat wat zwaar. Maar je haalt de angel eruit.’

Leestip: Do’s en don’ts bij een vrolijke flapuit

Zwarte Piet en Maria

Een opmerking over dikke billen kan pijnlijk zijn, maar er kwamen ook voorbeelden voorbij die nog lastiger zijn op te lossen. Omdat ze bijvoorbeeld een gevoelig maatschappelijk punt raken. Zo kregen we veel ‘Sint- en Piet-anekdotes’ binnen: kinderen die hun gekleurde medemens aanzien voor Piet en dat in hun onschuldige enthousiasme uiten. Kom in tijden van hoogoplopende maatschappelijke discussies maar eens met de juiste reactie, terwijl je bij de drogist met zes pakken luiers staat te stunten (ja, aanbieding) en ondertussen je sleutelbos laat vallen. Of dat voorbeeld van de zoon van Patricia, dat net op school het kerstverhaal had gehoord, in de supermarkt een meisje met een hoofddoek zag en uit volle borst riep: ‘Kijk mam, daar is Maria!’ Hoe pak je het aan als het allemaal net even wat gevoeliger ligt en je niet kunt inschatten hoe het onderwerp van gesprek zal reageren op die spontane opmerking van je kind? Ook Breeuwsma vindt dit een lastige kwestie, maar benadrukt dat je hier niet heel anders mee moet omgaan dan met andere gênante situaties. ‘Laat kinderen gewoon duidelijk weten hoe het zit. Zeg bijvoorbeeld: “Niet alle vrouwen met een hoofddoek heten Maria.”’

Een simpele, feitelijke uitleg, dat lijkt dus de sleutel. En de ‘angel eruit corrigeren’ doe je volgens Breeuwsma het beste op het moment zelf, of anders direct erna. Anders koppelt je peuter het leermoment niet meer aan de situatie en kijkt-ie je glazig aan.

Tot slot een tip: hoe gênant, pijnlijk en penibel de situatie waar je mondige peuter jullie in bracht ook was: schrijf het op. Want die anekdotes blijven stiekem toch vooral héél grappig. Achteraf.

Meer reacties

Deze reacties willen we je ook niet onthouden…

‘Ik zat met mijn dochter Eva (3) in de bus. Bij een halte stapte een heel dikke vrouw in. Zegt Eva: “O mevrouw, u maakt de hele bus scheef!”’ Susan

‘Sara (3) zag in het winkelcentrum een vrouw met een hoofddoek en zei: “Mama, waar gaat Rood-kapje nou naartoe?”’ Anita

‘Bij ons in het dorp woont een jongen met een geamputeerd been. Mijn zoon Levi (2) liep laatst op hem af en vroeg: “Been kwijt? Levi zoeken?”’ Marlies

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Tekst: Milou van der Will, beeld: istock