Liza's bevallingsverhaal: 'Dat hij nog leeft, is een wonder'

Toen Liza (24) en Stijn na een voorspoedige bevalling met zoon Warre naar huis gingen, hadden ze niet kunnen bedenken dat zijn ‘onschuldige’ blauwe lippen een symptoom waren van een levensbedreigende hartafwijking. Drie weken later was het kantje boord.

‘Als Warre naar me lacht of erop los brabbelt, smelt ik. Ik geniet elke dag van hem. Hij gaat niet vaak uit logeren, want ik vind het heerlijk om hem om me heen te hebben. Voor hetzelfde geld had ik hem niet meer gehad. Mijn zwangerschap verliep perfect. Ik had nergens last van, ben niet misselijk geweest en was trots op mijn bolle buik. De echo’s en onderzoeken waren allemaal prima. Je hoort weleens dat moeders van zieke kinderen een gek voorgevoel hebben, maar dat had ik niet. Geen moment heb ik gedacht dat er iets mis was. De bevalling liet op zich wachten en na 42 weken werd ik ingeleid. Na zijn geboorte werd Warre kort onderzocht en de volgende dag gingen we samen naar huis.

Lees hier hoe inleiden van de bevalling in z’n werk gaat.

Ademt hij nog?

Trots showden mijn vriend Stijn en ik onze zoon aan familie en vrienden. Het kraambezoek merkte op dat Warre blauwe lippen had. “Hij heeft het toch niet koud?” klonk het dan bezorgd. Aanvankelijk irriteerden die opmerkingen mij. Waar bemoeiden ze zich mee? Warre was mijn eerste kind 
en ik vond hem perfect zoals hij was. Maar toen ik 
erop ging letten, viel het mij ook op dat zijn voeten en lippen altijd blauwig waren. Hij had ook een zwak 
huiltje en liep dan paars aan. Ook sliep hij heel veel: ik moest hem echt wekken voor elke voeding. Vreemd, vond ik. Toen Warre drie weken oud was, gingen we langs het consultatiebureau. Ik deelde mijn zorgen met de verpleegkundige daar. Haar vielen Warres blauwe lippen ook op, en ze raadde me aan om langs de kinderarts te gaan. Dat advies bleef ze maar herhalen, waardoor ik de indruk kreeg dat ik er niet te lang mee moest wachten. Ik maakte een afspraak en kon direct de volgende dag terecht.

Thuis googelde ik “baby met blauwe lippen.” Ik las: “Als een baby blauwe lippen heeft in combinatie met blauwe nagelriemen en blauwe voetjes, wijst dit vaak op een hartafwijking.” Ik keek naar Warre en zag het allemaal. Ik schrok me rot. Meteen belde ik het ziekenhuis terug en de kinderarts legde uit wat ik had gelezen. Hij stelde me gerust en vertelde dat baby’s wel vaker blauw zien. De volgende dag zou hij alles checken. Ik ben nuchter en wist dat het geen zin had om in paniek te raken. Maar die nacht sliep ik slecht. De gedachte dat Warre ernstig ziek kon zijn, bleef door mijn hoofd spoken. Constant ging ik in zijn wiegje kijken om te checken of alles goed met hem ging. Of eigenlijk: of hij nog wel ademde.

Foute boel

De volgende dag wierp de kinderarts één blik op hem en zei meteen dat het niet goed zat. Warre zag echt te blauw, zelfs zijn tong was grauw. Direct bevestigde hij waar ik al bang voor was: een 
hartafwijking. Het eerste wat ik dacht was: o nee, ze gaan hem opensnijden. Geen idee waarom, maar op de een of andere manier kwam een operatie meteen in me op. Ik barstte in huilen uit.

Om meer duidelijkheid te krijgen, werd er een hartecho gemaakt. Daaruit bleek dat hij transpositie van de grote vaten heeft, een aangeboren afwijking waarbij de aorta en de longslagader 
zijn omgewisseld. Hierdoor had hij twee verschillende bloedsomlopen en geen zuurstofrijk bloed. Door dat zuurstofgebrek zag hij dus zo blauw. Het was al een wonder dat hij drie weken oud was geworden, zei de arts.

Mijn eerste gedachte bleek te kloppen: een openhartoperatie in een academisch ziekenhuis was noodzakelijk en wel zo snel mogelijk. Op de automatische piloot reden we naar huis om spullen te pakken. Ik liep rond als een kip zonder kop. Van de rit naar het ziekenhuis weet ik weinig meer. Hebben Stijn en ik gepraat of stond de radio aan? Geen idee. We zijn er in een roes naartoe gereden. Bij de ingang van de spoeddienst 
werden we al opgewacht. Een verpleegkundige nam 
het autostoeltje met Warre van mij over. Zijn lot lag in 
hun handen. Laat hem alsjeblieft bij ons blijven: die gedachte bleef ik in mijn hoofd herhalen.


Lachen en huilen

Warre werd meteen 
meegenomen naar de afdeling neonatologie. Daar 
werd hij uitgekleed, onderzocht en aan allerlei buisjes 
en slangetjes gelegd. Stijn en ik kregen een kamer toegewezen. Toen ik een paar minuten later terugging, was Warre al onder narcose. Een verpleegkundige tilde hem op, en zijn armpjes en beentjes vielen slap langs zijn lijfje. Alsof er al geen leven meer in hem zat. Dat beeld sneed door me heen. Natuurlijk begreep ik dat er haast bij was, maar ik had hem niet meer geknuffeld of geruststellende woordjes in zijn oor gefluisterd. Dat het goed zou komen en dat hij moest vechten om bij ons te blijven, bijvoorbeeld. Als dit verkeerd zou aflopen, had ik geen afscheid van hem genomen. Huilend stond ik boven zijn bed. We konden niets meer voor hem doen. Die machteloosheid was vreselijk. Ik had vertrouwen in de artsen, maar was doodsbang dat zijn lijfje de narcose niet aankon.

De operatie duurde acht uur. De tijd kroop voorbij. We hebben ondertussen door het ziekenhuis gewandeld. Wat gegeten, iets gedronken. Ik zat vastgekleefd aan mijn telefoon. We zouden gebeld worden als er nieuws was. Het dierbaarste wat ik had, kon ik verliezen, maar die gedachte probeerde ik te blokkeren. Probeerde, want het bleef natuurlijk door mijn hoofd spoken. Wat als dit het einde was? Toen werd ik gebeld. Een onbekend nummer: “De operatie is bijna afgerond en het ziet er vooralsnog goed uit.” Hij leefde nog! Stijn en ik lachten en huilden tegelijk. Al gauw mochten we naar de intensive care. Daar lag ons kleine, dappere mannetje vol buisjes, pleisters en alarmpjes. Op een monitor werd het zuurstofpercentage in zijn bloed weergegeven. Voor de operatie was dat zo’n vijftig procent, nu al achtennegentig.

Snel naar huis

Zijn herstel ging verbazingwekkend snel. Zijn hart begon meteen zelf te kloppen, zonder hulp van machines. De eerste dag is hij nog beademd, daarna kon hij zelfstandig ademen. Na vier dagen mochten we naar huis. De artsen waren verbaasd over zijn snelle herstel, meestal stond daar twee weken voor. Ik vond het niet eng om hem mee naar huis te nemen. Mijn moederinstinct wilde hem thuis, bij ons.

Die eerste nacht sliep ik meteen goed en de volgende dag zijn we met hem gaan wandelen. Ik wilde het oude leven zo snel mogelijk oppakken en geen overbezorgde moeder zijn. Meteen merkte ik verschil. Zijn zwakke huiltje had plaatsgemaakt voor een krachtig geluid. Ook was hij alerter en vaker wakker.

Doorzetter

Gelukkig is hij geen hartpatiënt voor het leven. Zijn hartprobleem is verholpen. Hij krijgt ook geen medicatie, maar wordt wel elk jaar 
gecontroleerd. De oorzaak van zijn afwijking is nog 
onduidelijk. Het is niet erfelijk, dus waarschijnlijk is het puur toeval. Ik ben nu zestien weken zwanger van de tweede. Naast de twintigwekenecho krijg ik nog een extra echo om een eventuele hartafwijking op te sporen en na de geboorte nog een extra hartecho om te checken of er niets mis is. We bekijken het stap voor stap. Ongerust ben ik niet, het heeft ook geen zin om negen maanden te piekeren.

Warre ontwikkelt zich ondertussen goed. Hij heeft er niets aan overgehouden. Hij heeft een eigen wil en is een doorzetter. Zo geeft hij zich niet snel over aan zijn slaap en als mijn vriend en ik daar weleens over klagen, denk ik al snel: gelukkig maar, dat hij zo’n doorzetter is. Anders hadden we nooit geweten hoe zijn lach klinkt, hoe hij ongeduldig wordt als-ie z’n flesje ziet, hoe hij ‘dada’ zegt en verder brabbelt in zijn schattige taal.’