Hoelang een kind achtereen zit verschilt nogal per school, zegt Mirka Janssen, lector Bewegen in en om School aan de Hogeschool van Amsterdam. Toch ziet zij in haar werk vaak lange zitblokken. ‘Soms langer dan drie kwartier, soms zelfs langer dan anderhalf uur. Dan zie je dat de taakgerichtheid van kinderen behoorlijk naar beneden gaat.’
Kinderen zijn dan minder gericht op wat ze moeten doen, zoals taal of rekenen. Er ontstaat vaker rumoer in de klas, soms ook gedrag dat als storend wordt gezien. Een kind wiebelt, praat, haakt af of lijkt niet te luisteren. Dat gedrag wordt al snel bij het kind gelegd, terwijl je ook kunt kijken naar de manier waarop de schooldag is ingericht.
Leren aan tafel
‘Kinderen zijn van nature beweeglijk’, zegt Janssen. ‘Ze houden ervan om samen in beweging te zijn, spelletjes te spelen, even te lachen tussendoor. Pas als kinderen goed in hun vel zitten, kunnen ze ook goed tot leren en ontwikkelen komen.’
Het korte antwoord op de vraag of kinderen te weinig bewegen op school? Op veel scholen waarschijnlijk wel. Niet omdat leerkrachten het belang van bewegen niet zien, maar omdat de schooldag van oudsher sterk is ingericht rond zitten, instructie en leren aan tafel. Meer beweging vraagt dus niet alleen om goede wil, maar ook om tijd, ruimte, kennis en een schoolteam dat dit samen kan dragen.
Lees ook: De voordelen van bewegen voor kinderen en hoe je dit stimuleert, volgens twee experts
Een dynamische schooldag
Steeds meer scholen zoeken naar manieren om kinderen vaker in beweging te brengen. Een voorbeeld daarvan is de dynamische schooldag: een schooldag waarin zitten en bewegen elkaar doelbewust afwisselen. Dat betekent niet dat kinderen de hele dag door de klas rennen of al springend hun sommen maken. Het gaat om een andere inrichting van de dag: kortere zitblokken, vaker naar buiten, bewegen tussen lessen door en soms leren met beweging erbij.
Op De Waterhof in Delft werken ze al jaren op deze manier. Nick Keijser, vakleerkracht bewegingsonderwijs en ambassadeur van de Beweegalliantie, is daar een van de drijvende krachten achter. Zijn motivatie komt deels uit zijn eigen schooltijd. ‘Ik wilde vroeger wel graag leren, maar van de hele dag stilzitten werd ik gek. Dan ga je wiebelen op je stoel, wil je naar de wc of ga je gedrag vertonen dat als storend wordt gezien. Vervolgens krijgt het kind op zijn kop.’ Later zag hij datzelfde terug bij kinderen op school.
Honderdveld
Daarom proberen ze op De Waterhof kinderen niet langer dan ongeveer drie kwartier achter elkaar te laten zitten. Daarna volgt een beweegmoment. Dat kan een beweegtussendoortje zijn, of het kan bewegend leren zijn, waarbij beweging wordt gekoppeld aan lesstof.
Denk aan tafels oefenen op een honderdveld, waarbij kinderen springen en hardop rekenen. ‘Bij een beweegtussendoortje gaat het erom dat je uit je hoofd bent en kunt ontladen, zodat je daarna weer tot leren komt. Bij bewegend leren gaat het erom dat bewegen het leren ondersteunt.’
Lees ook: Concentratieproblemen kind: wat te doen?
Zeven uur zitten
Op basisscholen is bewegingsonderwijs verplicht: twee keer 45 minuten per week, of als het niet anders kan één keer 90 minuten. Dat is belangrijk, maar het zegt weinig over de rest van de week. Een kind kan twee keer per week gymmen en op andere dagen alsnog lange periodes achter elkaar zitten.
Volgens Hilde Krajenbrink, specialist beweeggedrag jeugd bij Kenniscentrum Sport & Bewegen, voldoet ongeveer 60 procent van de kinderen van 4 tot en met 11 jaar aan de beweegrichtlijnen. Een grote groep dus niet. Kinderen zitten ruim zeven uur per dag, en een groot deel daarvan is op school.
Een ander ritme
Toch is de oplossing niet simpelweg meer gym. Het gaat juist om de afwisseling gedurende de dag. Janssen: ‘Er is niets mis met aan je tafeltje zitten en lezen of rekenen. Dat hoeft niet allemaal bewegend.’ Volgens haar zit de winst vooral in een ander ritme: geconcentreerd werken, even bewegen, weer verder.
Leerkrachten hebben al veel op hun bord. Zodra bewegen wordt gebracht als nóg iets wat school erbij moet doen, is weerstand logisch. Zeker als de boodschap is: kinderen bewegen thuis te weinig, dus school moet het oplossen. De vraag is daarom niet hoe leerkrachten er nog een taak bij krijgen, maar hoe bewegen zo onderdeel kan worden van de schooldag dat het juist helpt.
Lees ook: Terug naar school: de leukste, praktische gymspullen voor je kind
Minder gedoe in de klas
In de praktijk ziet Mirka dat scholen die bewegen goed inbouwen positieve effecten ervaren. ‘Als leerkrachten eenmaal overtuigd zijn en het gaan proberen, maken ze vaak heel snel positieve effecten mee. Er komt meer rust in de klas. De onderlinge relaties worden beter. Kinderen kunnen hun energie kwijt en daarna weer goed aan de slag.’
Dat herkent Keijser. Hij ziet op De Waterhof dat bewegen de sfeer op school verandert. Kinderen gaan met meer plezier naar school, kinderen op het plein zijn actiever door georganiseerd buitenspelen en er ontstaan minder conflicten. ‘We zien eigenlijk dat dit leerkrachten juist tijd oplevert. Veel leerkrachten denken: dit kost me tijd. Maar het levert tijd op, omdat je minder gedoe hebt in de klas als je dat bewegen goed organiseert.’
Op eigen niveau
Meer bewegen op school betekent niet dat ieder kind sportief moet zijn. Dat is belangrijk, want voor sommige kinderen is gym juist spannend. Ze zijn niet snel, niet handig met een bal of voelen zich bekeken.
Volgens Mirka gaat het niet over sport, maar over bewegen. ‘Als een volwassene een activiteit begeleidt, moet hij altijd oog hebben voor ieder kind. Kan ieder kind op zijn eigen niveau meedoen? Heeft ieder kind plezier in die activiteit? Dat is de basis voor succeservaringen.’
Niet allemaal voetballen
Ook Nick waarschuwt voor beweegmomenten die onbedoeld stress geven. Eén bal rondgooien in een klas met dertig kinderen klinkt actief, maar een kind dat niet goed kan vangen, staat misschien vooral zenuwachtig te wachten. Mist hij de bal, dan wordt er gelachen. ‘Dan ligt het niet aan het kind’, zegt Nick. ‘Dan ligt het aan de manier waarop je het aanbiedt.’
Daarom hoeft bewegen niet altijd intensief te zijn. Een hut bouwen is ook bewegen. Stoepkrijten ook. Wandelen, stoeien, schommelen, klimmen of steppen ook. Juist voor kinderen die minder vanzelfsprekend bewegen, kan dat het verschil maken.
Lees ook: Voor het hele gezin: 11x sporten om samen met je kind te doen
Uit je hoofd
Buitenspelen is misschien wel het meest onderschatte onderdeel van bewegen op school. Het is niet alleen een pauze waarin kinderen even luchten, het is zelfs onderwijstijd. Daar ligt veel winst. Een school kan nadenken over het rooster. Plan buitenspelen bijvoorbeeld niet direct na gym, maar juist na een langer zitmoment. Kijk ook naar het plein. Is er alleen ruimte voor voetbal, of kunnen kinderen ook bouwen, fietsen, in het zand spelen of rustiger bewegen?
Ook kinderfysiotherapeut en Ouders van Nu-expert Anna Baltus ziet waarom dit onderwerp verder gaat dan schoolplezier. In haar praktijk ziet zij kinderen met nekklachten, hoofdpijn, spanningsklachten, rugklachten en een slechte houding. Veel zitten speelt daarin mee, net als schermgebruik. ‘Bewegen haalt je een beetje uit je hoofd’, zegt Baltus.
Niet vanzelfsprekend
De verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij school. Ouders bepalen veel. Gaat je kind lopend of fietsend naar school? Is er na school tijd om buiten te spelen? Ziet je kind jou bewegen?
Tegelijkertijd kun je het niet alleen bij ouders neerleggen. Niet elk kind groeit op in een omgeving waar buitenspelen vanzelfsprekend is. School is de plek waar alle kinderen komen. Juist daarom is het logisch om ook daar naar beweging te kijken en hierover vragen te stellen aan school.
Tot leren komen
Dus bewegen kinderen te weinig op school? Op veel scholen waarschijnlijk wel. Niet omdat er geen gym is, of omdat leerkrachten onwelwillend zijn. De schooldag is vaak nog ingericht rond zitten en leren aan tafel, terwijl kinderen juist afwisseling nodig kunnen hebben. Niet in plaats van leren, maar om tot leren te kunnen komen.