Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 
door

Dominique heeft een OCD, maar ook twee kinderen. En dat is soms een uitdaging

Het leven van Dominique wordt al sinds haar jeugd beheersd door een angst- en dwangstoornis (OCD). Als moeder van Puk (3) en Fien (2) staat ze daarmee soms voor uitdagingen, maar die gaat ze niet langer uit de weg.

‘Als Puk bang is voor de regen die op het dakraam klettert, ga ik niet naast haar liggen om haar te troosten. Want daarmee zeg ik feitelijk dat het klópt dat ze bang is. Terwijl: dat klopt niet. In plaats daarvan zal ik met haar voor het raam naar de regen kijken, en de keer erna gaan we op straat in de regen dansen, ook al is het midden in de nacht.

Advertentie

Het belangrijkste is dat ze een positieve ervaring met haar angst opdoet. Keer op keer. Zo leert ze spelenderwijs dat ze niet bang hoeft te zijn. Ik weet het: angst is iets menselijks, maar als mijn kinderen ergens bang voor zijn, doe ik er wel wat mee. Ik heb een OCD (Obsessieve Compulsieve dwangstoornis, red.), en dat kan erfelijk zijn. Daar ben ik niet bang voor, maar ik ben er wel alert op.

Tot acht tellen

Toen ik als klein meisje doodsbang was voor de regen op m’n dakraam zagen mijn ouders er de ernst niet van in. Logisch. Veel kinderen kennen angsten, en als ouder bedenk je niet dat dit het begin van een angststoornis kan zijn. Ik begreep zelf ook niet wat er nou zo eng aan was. Toch raakte ik van een enkele druppel al in paniek en checkte ik, als kind dus al, dagelijks obsessief het weerbericht.

Een andere angst was vlees eten. Dat durfde ik niet, uit angst erin te stikken. In de loop der jaren ontwikkelde ik steeds meer angsten, met in het bijzonder één onderliggende angst: ik was bang anderen ongelukkig te zien of zelfs te máken. Deze basisangst vertaalde zich naar veertig andere angsten. Als ik inderdaad zou stikken door vlees te eten, zou ik mijn ouders heel ongelukkig maken.

Bij OCD gaan angst en dwang vaak samen. De angst zat er al vroeg in, de dwang kwam rond mijn dertiende. Ik kreeg door dat ik een angst kon onderdrukken met een dwanghandeling. Was ik bang dat een van mijn zussen zou verongelukken op weg naar huis? Dan onderdrukte ik dat met ‘teldwang’: bij het getal acht zou ze verongelukken, maar zou ik een willekeurige handeling drie keer doen, dan was ze veilig. Ik zei indirect tegen mezelf dat dwangen nodig was om de angst minder te voelen. Daardoor werd de angst juist heftiger, en de behoefte aan dwang groter. Ergens voelde ik wel dat dat niet  ‘normaal’ was, maar zo was het nou eenmaal.

angststoornis

Alles checken

Langzaam werd die dwang steeds erger. Toen ik mijn opleiding tot directiesecretaresse begon, kreeg ik van mijn ouders een treinabonnement. Die pas kwijtraken, werd een gigantische angst, want dat zou mijn ouders geld kosten. De bijbehorende dwanghandeling was oneindig vaak kijken of ik hem nog had. Soms wel vijftig keer achter elkaar. Het dwangen beheerste mijn leven: voor het slapengaan keek ik waar mijn pas was en ook al zag ik hem op tafel liggen, ik geloofde het niet, dus checkte ik het opnieuw.

In de tussentijd slikte ik mijn anticonceptiepil, maar uit angst dat ik erin zou stikken, dronk ik er liters water bij. Vervolgens ging ik naar bed, maar moest ik er weer uit om die treinpas te zoeken, dronk ik nog een liter water, terug naar bed, pasje checken, plassen, ga zo maar door. Ik was alleen nog maar daarmee bezig. Dit was maar één van de tig angsten die ik had. Vaak werkte ik, als intercedent bij een uitzendbureau, tot ’s avonds laat, omdat ik overdag constant aan het dwangen was. Niemand wist ervan, ik kon het goed verbloemen.

Rood is dood

Toen mijn ouders op mijn veertiende doorkregen dat ik sociale gelegenheden zoals etentjes vermeed, schakelden ze een psycholoog in. Daar stond ik achter, maar ik was er nog niet klaar voor. Nu weet ik dat de gifbeker simpelweg eerst echt leeg moest. Ik zat nog niet diep genoeg om de kracht te vinden om mijn angsten aan te gaan. Langzaam kwam er steeds meer bij, ik ging hyperventileren en kon niet meer zonder paniek boodschappen doen. Ook de kleur rood was een intense angst. Rood is bloed, bloed is ziek, ziek is doodgaan en de dood maakt mensen ongelukkig. Nu zie ik dat het nergens over gaat, maar in die tijd voelde ik me overgenomen.

Iets ín mij werd groter, en ikzelf steeds kleiner. Op een avond werd ik in bed overvallen door een angstaanval, ik werd wild en was niet meer aanspreekbaar. Mijn vriend ging boven op me zitten, hield mijn handen vast en zei: “Nu is het klaar.” Het was alsof hij de duivel in mijn ogen zag, zei hij. Dit was de eyeopener waardoor ik intensievere hulp zocht. Het eerste wat de psycholoog zei, was: “Je bent moe hè?” Ik barstte in tranen uit, ik was kapot van jarenlang extreme angsten en eindeloos dwangen.

Kierewiet

Ineens besefte ik: dit is míjn probleem, ik kan niet langer andere mensen hierin mee trekken. Ik moest weg. Ik liet me tien weken opnemen in een angststoorniscentrum ver van huis. Toen ik binnenkwam, zag ik mensen vijftien keer de trap op en af lopen, steeds de muur aanraken of andere ‘gekke’ dingen doen. Maar waarschijnlijk keken zij ook zo naar mij, ik was immers ook de weg kwijt. Ik ging vol voor herstel. Daardoor wist ik mijn grootste angst als eerste te tackelen: bloed.

Vermijden kon niet meer, ik moest de confrontatie aangaan. Dit deden we, onder andere, door exposure: precies datgene doen waar je angst ligt. De piek van angst zit hem net na de exposure, de kracht zit hem in erachter te komen dat het niet eng is. De periode daartussen voelt als overleven. Zo liep ik met onze groep in een treintje rond het zwembad, wat iedereen om zijn eigen reden vreselijk vond, de een had smetvrees, de ander sociale angst. Hartstikke kierewiet natuurlijk. Ik liep achteraan en moest elke roestvlek aanraken, ik walgde ervan, roest lijkt immers op bloed. Zo leerde ik stap voor stap dat het níet eng is rode dingen aan te raken, je wordt niet ziek, je gaat niet dood.

angststoornis

Dikke middelvinger

Al sinds mijn vijftiende is Stefan mijn grote liefde. Over onze kinderwens praatten we nooit, puur omdat ik zo druk was met mezelf én mijn dwanghandelingen. Bovendien wilde ik eerst stabiel zijn, zonder medicatie. Na mijn opname voelde ik me sterker dan ooit. Het gaf zelfs een kick om mijn angsten aan te gaan, een dikke middelvinger naar ze op te steken. We durfden naar de toekomst te kijken, een toekomst met kinderen. Maar eerst hadden we rust nodig, even echt samen zijn.

In 2015 trouwden we en toen we thuiskwamen van huwelijksreis groeide er een kleine spruit in mijn buik – vierenhalf jaar na mijn opname. Ik was een doorsnee zwangere. Wel was ik vrij obsessief bezig met gepasteuriseerd voedsel; ook al stond op de verpakking dat de brie gepasteuriseerd was, ik at die toch niet. En omdat ik mijn angst voor bloed had overwonnen, was de bevalling in dat opzicht geen probleem.

Toen de kinderen nog geen jaar waren, was ik wel extreem bang voor hersenvliesontstekingen en koortslippen. Het eerste jaar van beide kinderen zat ik veel binnen en vermeed ik openbare ruimtes waar ik niet de volledige controle had. Ik vond het belachelijk als ik hoorde dat iemand zijn twee maanden oude baby meenam naar een event, nu zie ik dat dat best normaal is. Toen een kennis op kraamvisite kwam met een koortslip – of misschien was het gewoon een puist – hield ik haar tegen bij de deur. Daarna desinfecteerde ik de bel. Nu kan ik er wel om lachen, maar het was best benauwend.

Loslaten

Als Fien nu zweterig in haar slaapzakje ligt, check ik – meerdere keren – haar temperatuur, ik vind het niet prettig als de kinderen op hun buik slapen en met Puk naar een openbare wc gaan vind ik verre van fijn. Nog altijd blijf ik uit de buurt van bloed, al denk ik niet dat dit per definitie ziekelijk is. Soms moet ik gewoon even een donkere vlek aanraken waarvan ik wéét dat het geen bloed is, puur om de angst te voelen, en vervolgens te ervaren dat er niets aan de hand is.

Van mijn OCD kom ik nooit meer af, maar ik heb wel geleerd hoe ik ermee moet omgaan. ’s Nachts word ik regelmatig wakker met een naar beeld wat er allemaal met de kinderen kan gebeuren, dan ga ik bij ze kijken. Elke moeder heeft haar angsten, ook ik. Naast OCD’er ben ik gewoon moeder, vrouw, vriendin en bovenal een mens die ook angst mag kennen, zij het met ‘kanttekening’. Over het algemeen zal ik sneller doemdenken dan een gemiddelde ouder en ben ik superalert. Loslaten vind ik moeilijk.

Mijn ouders passen elke maandag op, dus check ik op zondagavond het speelgoed. Zodat er geen verdwaalde potloden tussen zitten, waarmee Fien kan rondrennen. Ook herinner ik mijn moeder aan het gevaar van Fien die op Puks kinderstoel klimt, en bij stopcontacten voel ik altijd de angst dat de kinderbeveiliging misschien tóch niet werkt. Dit klinkt voor een ander misschien heftig, zelf ervaar ik het niet als hinderlijk.

Alert blijven

OCD blijft, altijd, in alledaagse dingetjes. Als ik moe ben of stress heb, vind ik het niet fijn om ’s avonds de open haard te doven: stel je voor dat ik iets niet goed doe, waardoor er brand ontstaat. Ik ga zelden een angst uit de weg, maar op een zwak moment vraag ik Stefan de open haard uit te doen. Wel dwing ik mezelf een dag later het zélf te doen.

Die angstbeelden zijn er nog, het verschil is dat ik er niet meer naar handel. Het ‘dwangen’ is verleden tijd. Ik wil andere mensen nog steeds graag gelukkig en positief zien, maar ik weet nu dat ik er niet verantwoordelijk voor ben. Ik werk daar hard voor door dingen te doen die ik eigenlijk niet wil: zoals in een café naar de wc gaan. Ik móet daar alert op blijven, als ik eenmaal begin met vermijden, wordt het alleen maar groter. Het is puur onderhoud.

Ook Stefan blijft alert, als-ie iets niet vertrouwt, kijkt hij me op een bepaalde manier aan en zegt hij zonder woorden: “Do, let je op?” Dat is soms prettig, maar niet altijd. OCD is iets van mij, ik vind mijn zelfstandigheid hierin belangrijk. Stefan is mijn man, niet mijn hulpverlener. Inmiddels zie ik OCD als mijn kracht, ik zal het nooit verzwijgen, waarom zou ik? Ik ben sterker dan die stoornis, zo wil ik onder geen beding dat Puk en Fien hiervan de dupe worden, het is míjn probleem. Een probleem dat ik dus niet meer als probleem zie. Willen ze naar het zwembad? Dan gaan we! Kom maar op met die roestvlekken. Maar rode kleren zal ik niet snel voor ze kopen.

Een nieuwe angst

Sinds zo’n zeven maanden ben ik bang om te ziek te worden. Heel geleidelijk is dit gekomen en ik kan geen duidelijke reden aanwijzen wat de oorzaak is. Dat hoeft ook niet van mij. Wat ik wél wil, is hier meer grip op krijgen. De laatste maanden heb ik veel bij de huisarts gezeten. Zodra ik ergens geruststelling in had gekregen, was ik onbewust alweer aan het zoeken naar ‘het volgende’ om over te piekeren. Een patroon dat ik nu heel duidelijk zie en herken. Het is aan mij dit te doorbreken, de therapie toe te passen en te zorgen dat de olievlek niet groter wordt. Ook ik ben niet altijd even sterk en moet blijven werken aan mijn angstgevoeligheid. Dat blijkt maar weer en dat is ook mooi. Zien, ontwikkelen en leren. En dat is precies wat ik nu ga doen. Het aangaan van een angst die ik nog niet kende.’

Je kunt Dominique volgen op Instagram, via @ditdoetdo

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Interview: Kim Hopmans. Fotografie: Brenda van Leeuwen. Visagie: Astrid Timmer.

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.