Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 
door

Hoe pak je het aan als het kinderdagverblijf geen optie is?

Hoe doe je dat als de crèche jarenlang geen optie is, omdat je kind bijvoorbeeld extra kwetsbaar is of ziek? Dit is hoe Femke en Saskia het oplosten. Al ging dat niet altijd van een leien dakje.

Femke & Kee

Femke: Al na bijna 35 weken zwangerschap wordt Kee geboren. De boosdoener: een infectie. Op de dag dat we haar, na twee weken ziekenhuis, eindelijk mogen ophalen om mee naar huis te nemen, wordt onze zoon (1,5) ineens ziek wakker. ‘Mag Kee dan eigenlijk wel mee naar huis?’ vraag ik aan mijn man. ‘Zou ze met haar 2270 gram, en te vroeg geboren, extra vatbaar zijn?’ Voor de zekerheid vragen we het aan de kinderarts. ‘Nee, dan blijft ze nog hier,’ zegt hij. In de dagen die volgen, denk ik na over wát de kinderarts dan precies wil voorkomen door Kee nog even niet te ontslaan. Ik vraag het hem tijdens het eindgesprek. ‘Kee doet het goed,’ zegt hij, ‘maar omdat ze te vroeg is geboren en zo’n laag geboortegewicht had, heeft ze nog wat in te halen. En daarnaast: van infecties kan ze extra veel last hebben. Prematuur geboren baby’s hebben bijvoorbeeld meer kans om door zo’n infectie in het ziekenhuis te belanden. Dat kost energie, energie die Kee beter aan iets anders kan besteden.’

Advertentie

Ineens denk ik aan de permanente snottebel-buikgriep-koorts-zevendeachtstenegendeziekte-kotsen-diarree in het eerste levensjaar van mijn zoon en vraag: ‘Maar op een kinderdagverblijf pikken ze toch voortdurend wat op?’ De kinderarts knikt. Het lijkt alsof hij zijn woorden inslikt. ‘Kan Kee dan wel naar het kinderdagverblijf als ik weer ga werken?’ Zijn antwoord: ‘Als jullie de mogelijkheid hebben, zou ik haar in elk geval de eerste anderhalf jaar thuishouden.’ ‘En mijn zoon dan?’ reageer ik. Want hij duwt die bacillen dan toch alsnog ons huis in? ‘Hem ook,’ antwoordt de arts. ‘Veel ouders hebben de mogelijkheid niet om zoiets te doen of staan er niet voor open, maar dat is wel mijn advies.’

Gouden tip

Tja, we zouden het kunnen regelen. Als freelancers kunnen we minder klussen aannemen, en we hebben wat spaargeld om de missende omzet op te vangen. En een goeie start voor Kee, ja tuurlijk willen we dat. Maar we twijfelen ook: missen de kinderen dan geen sociale interactie? En leren ze dan ook een heleboel niet, zoals samen delen en op je beurt wachten? En onze carrières dan? Ik wil graag werken, maar even iets minder, dat vind ik niet erg om eerlijk te zijn. Ik vind twee kinderen best overweldigend en daarbij: de tijd vliegt al voorbij. Dit is misschien ook een kans. En Kee heeft het nodig, blijkbaar. Maar is het wel zo zwart-wit als de kinderarts zegt? Zou het Kee écht helpen? Ik maak een afspraak bij de huisarts. ‘Kun je ze thuishouden?’ vraagt die. Ik knik. ‘Kee zal er echt baat bij hebben.’ Haar gouden tip: ‘Vind een goede oppas.’

No pressure

Die goede oppas hebben we al. Een megagrote luxe. Via via was Marijne tijdens de zwangerschap van Kee zomaar ons leven binnengewandeld. Ze zit in het laatste jaar van haar studie en kan één dag per week komen oppassen en soms wat vaker. Mijn man gaat drie dagen buiten de deur werken, en nog wat uren thuis. Ik besluit voorlopig maar één dag buiten de deur te werken en de rest als de oppas er is of als de kinderen slapen. Ons leven schiet van drukke dagen met wegbrengen, treinen halen (en vaak missen), huishouden en achter de feiten aan hollen naar een slow motion, haast vakantieachtig bestaan. Voor negen uur ’s ochtends is er bij ons niks actiefs te beleven (behalve bij degene die die dag moet werken). We kleden ons rustig aan, ontbijten, rommelen wat en zo rond de klok van tien wandelen we een keer naar buiten. Of niet. We hoeven namelijk nooit ergens per se op tijd te zijn.

Huiselijke bubbel

Kee groeit en groeit en na een half jaar heeft ze haar 2270 gram verruild voor een soort boeddhapak dat ze lachend draagt. Ik verbaas me erover hoezeer ik zelf van dit vertraagde tempo geniet. Ik, die altijd prat ging op hard werken en je eigen brood verdienen. Nu werk ik twee dagen per week en dat vind ik, voor nu, genoeg. Het is ook niet zo dat ik hele dagen op mijn knieën op het kleed lig te duploën of als een paard door de kamer ren omdat ik zo opga in het kinderspel. Nee, er is natuurlijk nog steeds een huishouden te runnen, eten te koken en werk te doen (ook al is het maar twee dagen). En al die andere ballen. Maar er is geen druk, niks hoeft even snel tussendoor.

Na een gebroken nacht doe ik vaak in de middag zelf nog een tukje met de kinderen mee. Op woensdagochtend eten we ijs op een bankje in de zon, als we daar zin in hebben. We kunnen tussen de middag samen een broodje eten en gewoon wachten tot de korstjes op zijn. Of voetballen op het pleintje voor de deur, zo rond de klok van vijf uur, want de boodschappen zijn al in huis. We hoeven niemand op te halen of nog snel even een pakketje op te pikken bij het afhaalpunt (want dat was al een uitje geweest die dag.) Er is geen keihard schema, en er is altijd iemand thuis voor de kinderen: mijn man, de oppas of ik. Die ene dag per week niet thuis zijn, vind ik óók heel fijn, even uit de huiselijke bubbel. Ook plan ik ’s avonds non-moedermomenten in, zonder kinderen. Want zou ik dat niet doen, dan voelt mijn wereld wel een beetje klein.

Angst

‘Krijgen ze zo wel weerstand?’ vraag ik de huisarts als ik weer eens twijfel of ik de kinderen niet tekort doe door ze thuis te houden. ‘Jawel hoor,’ zegt ze. ‘Straks als ze op de basisschool zitten, hebben ze vast even een ziekteperiode, maar een goeie weerstand bouw je ook op door gewoon te leven.’ Ziek worden we inderdaad amper. Mijn zoon maakt een vriendje op het pleintje voor ons huis, we doen hem op Aapjeskooien en als hij tweeënhalf is, melden we hem aan bij de peuterspeelzaal. Zie ik nu dat hij het wel een beetje gemist heeft, dat contact met andere kinderen? De angst voor ‘minder sociale skills’ blijft sluimeren. Niet dat mijn zoon daar aanleiding toe geeft, maar toch, hij ziet wel echt minder kinderen dan op het kinderdagverblijf.

Lees ook: Wat zijn de voordelen van een kinderopvang voor je kind?

Reddende engelen

En dan wordt Kee anderhalf en is ze vrij om te gaan en staan waar ze wil, ze heeft haar vroeggeboorte dubbel en dwars ingehaald. Ik heb wel zin om wat meer werk aan te nemen, ons spaargeld is ook wel zo’n beetje op. Daarbij is Marijne klaar met haar studie en vindt ze een vaste baan. Gelukkig willen haar zussen Dieke en Willemijn wel komen oppassen. En we vinden nog een oppas: Merel, die in onze stad studeert en ontzettend goed met ons en de kinderen klikt. Het klinkt nu alsof ik heel makkelijk ben met oppassen, maar ik laat mijn kind niet zomaar bij iemand achter. Wél bij deze drie reddende engelen.

Tijd samen

En dus besluiten we het zo te laten, zonder crèche, maar met een oppas aan huis. Want een bijkomend voordeel: onze oppassen koken ook weleens een maaltje, ze gaan naar de supermarkt als we wat vergeten zijn, ze brengen de kinderen naar vriendjes en een wasje vouwen doen ze soms ook. En dat brengt veel rust. Dat urenlang lummelen en langzaam opstaan is er niet meer bij, mijn man en ik werken inmiddels allebei weer meer én onze zoon zit op de kleuterschool (hij werd inderdaad het eerste half jaar veel ziek). Maar nog steeds letten we erop dat we veel tijd samen hebben. Want daar ben ik de arts van Kee misschien wel het meest dankbaar voor. Want zonder hem hadden we dit plan nooit zo uitgevoerd. Kee groeide als kool en wij kregen tijd. Vooral veel tijd samen.

Saskia & Gijs

Saskia: Het is weer zo laat: Gijs (dan 10 maanden) is benauwd. En niet een beetje, maar hallo-haal-eens-adem-joh-benauwd. En uitgerekend nu is er geen ziekenhuis in de buurt, want we zitten voor een familieweekend in the middle of Terschelling. Shit. Dan maar een nachtelijk mailtje naar de kinderlongarts, die me de volgende ochtend meteen belt.

Zodra we weer voet aan wal hebben gezet, rijden we linea recta naar het AMC, waar een collega-longarts een gaatje in haar agenda voor ons heeft kunnen maken. Even wat medische ondertiteling: een paar maanden eerder is tijdens een kijkoperatie vastgesteld dat Gijs bronchomalacie heeft, wat erop neerkomt dat zijn longen nogal klein en op drie plekken vernauwd zijn, waardoor hij extra vatbaar is. In fitte toestand kost ademhalen voor hem al veel meer moeite dan voor een doorsnee kind, maar is Gijs verkouden, dan kan het slijm in zijn longen geen kant op en hapt hij soms letterlijk naar adem.

Makkelijker gezegd dan gedaan

‘Gaat Gijs nog steeds naar het kinderdagverblijf?!’ De inval-longarts kijkt me verbijsterd aan. Ik voel m’n wangen rood worden. De vaste longarts heeft wel gezegd dat het voor Gijs het beste is om de infectiedruk zo laag mogelijk te houden (lees: niet blootstellen aan snotterende leeftijdsgenoten op het kinderdagverblijf), maar ze zei er ook meteen achteraan dat ze begreep dat zoiets natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan is. Hmm, mijn man Bart en ik hebben hier misschien toch wat te licht over gedacht. Een dik uur later lopen we het ziekenhuis weer uit, met een karrenvracht paardenmiddelen om Gijs er weer bovenop te helpen én het dringende advies om naar een goed alternatief te zoeken voor de opvang. Missie: Gijs moet zo min mogelijk ziek zijn. Want Gijs moet groeien. Hoe meer hij groeit, hoe groter z’n longen worden, hoe sterker hij wordt en hoe minder last hij krijgt van de vernauwingen.

Helemaal op

Acht maanden later. Het is zomer en we zijn voor een vriendenweekend in the middle of Drenthe. Gijs (inmiddels 1,5) kuiert opgetogen over de camping, maar Ik. Kan. Niet. Meer. Vorige week was er eentje in de categorie dieptepunten: Gijs was zo ziek als een hond en zo benauwd als een kettingroker. Want hoewel hij sinds het Terschelling-debacle geen voet meer over de drempel van het kinderdagverblijf heeft gezet, weten de virussen hem nog regelmatig te vinden. Via kinderen van vrienden, in de speelhoek van die leuke koffietent: de lijst van plekken waar ik hem eigenlijk niet meer mee naartoe durf te nemen, wordt bijna wekelijks aangevuld.

Oppasperikelen

Na Terschelling zorgden Bart en ik (beiden zelfstandig ondernemer) eerst een paar weken tussen onze bedrijven door voor Gijs (kansloos, werkte voor geen meter). Daarna zijn we overgestapt op de oppas-aan-huis. Of iets specifieker: op de inmiddels derde oppas-aan-huis, want de eerste twee waren op z’n zachtst niet zo’n succes (iets met heel erg vaak een dag van tevoren afzeggen).

Ook over oppas nummer drie ben ik niet erg enthousiast. En Gijs blijkbaar ook niet, want die moet ik keer op keer krijsend bij haar achterlaten als ik ’s ochtends naar mijn werk sjees. Gijs voelt zich duidelijk niet op z’n gemak bij alweer een nieuw gezicht dat hem komt entertainen. De oppas voelt zich ook niet op haar gemak, want ze appt me bij elke versnelde ademhaling van Gijs een filmpje of ongerust bericht. En om nou te zeggen dat ik dan lekker op m’n gemak zit te werken… ‘Gijs wil alleen maar op de keukenvloer liggen, hij heeft koorts denk ik, zou het wel fijn vinden als je naar huis komt,’ aldus de oppas vorige week. Ik propte m’n laptop in mijn tas, stopte de to do-lijst-zonder-einde in m’n hoofd en scheurde naar huis, waar ik nog net op tijd aankwam om de eerste kotspartij op te vangen van de vele die zouden volgen die week.

Oplossing

En nu zit ik dus op een camping. Gezellig met vrienden rond een vuurkorf. Tollend van vermoeidheid, omdat ik die eindeloze to do-lijst bij gebrek aan tijd overdag dan maar voor de zoveelste keer in de nachten heb afgetikt. ‘Waarom stop je niet gewoon een tijdje met werken?’ vraagt vriend Eric. Tsss, typisch zo’n praktisch, kort-door-de-bocht mannenadvies, is mijn eerste reactie. Stoppen met werken? Ik? Ik ben een ambitieuze, hardwerkende vrouw met twee kinderen, geen thee-met-koekjes-thuisblijfmoeder. Maar als ik heel eerlijk ben: het zou de oplossing voor alles zijn. Als Gijs in de zomer al om de haverklap ziek is, hoe moet dat dan als straks weer het virussencarnaval dat herfst en winter heet losbarst? Bovendien gaat dochter Fien (want die is er ook nog) na de zomer naar de kleuterschool en het zou voor haar best fijn zijn als ze de eerste maanden rustig kan opstarten met mij in de buurt.

Lees ook: Hoe steun je een thuisblijfmoeder of -vader?

Gijsvrij

Het voordeel van praktische, oplossingsgerichte mannen: die begrijpen elkaar binnen een paar tellen. Onderweg van Drenthe naar huis drop ik voorzichtig het plannetje van Eric bij Bart. Hij kijkt me vragend aan: ‘Zou je dat écht willen? Fulltime thuis zijn met de kinderen?’ Ik durf het bijna niet te zeggen, maar bij alleen al de gedáchte aan een tijdje zonder werk-en-ziek-kind-spagaat valt er een gigantische last van mijn schouders. Bart komt, heerlijk praktisch en oplossingsgericht, meteen ter zake en nog geen dag later ligt er een waterdicht plan dat ook nog eens financieel haalbaar lijkt te zijn. Na de zomervakantie neem ik een soort sabbatical, die ik omdoop tot ‘Gijsvrij’. Een half jaar lang werk ik alleen op woensdag, dan kan Gijs bij opa en oma terecht en gaat Fien na school naar de bso. De rest van de week zorg ik voor Gijs, het huishouden en taxi ik Fien naar en van school. Na zes maanden, als het voorjaar is en de meeste virussen zijn vertrokken, gaan we de balans opmaken. Letterlijk, want tegen die tijd is onze financiële buffer wel aan z’n eind, vermoed ik.

Nieuw leven

Ik had het niet verwacht, maar mijn tijdelijke nieuwe leven voelt als een bevrijding, misschien ook wel omdat ik weet dat het tijdelijk is. Ik verander van een nooit-ergens-tijd-voor-moeder in een schoolplein-moeder. Een thee-met-koekjes-thuisblijfmoeder. Een treinbaanbouwer, een boekjesvoorlezer, een dreumes-entertainer. En ik ben ook nog steeds een hardwerkende vrouw, want juist op die ene werkdag ben ik gemotiveerder dan ooit.

Maar het belangrijkste: Gijs gaat als de brandweer. Kennelijk is er ook een last van zijn schoudertjes gevallen nu hij niet meer wordt ‘achtergelaten’ bij een onzeker oppasmeisje. Tot nu toe zei hij niet veel meer dan ‘boe’ en ‘bah’, maar al na een paar weken qualitytime begint hij te kletsen. Hij wordt vrolijker, ondernemender, zelfverzekerder. En dat is dan weer goed voor mijn ego, want zeg nou zelf: het is toch fijn om bevestigd te krijgen dat je kind je soms écht even nodig heeft. En ook zo relaxed: dat ik niet meer hoef te schipperen met mijn tijd als Gijs weer eens voor controles naar het ziekenhuis moet.

Moederskind

Kleine keerzijde van zo’n plotselinge overload aan een-op-eencontact: Gijs wijkt bij voorkeur geen nanoseconde meer van mijn zijde. Hij is een moederskindje in optima forma. En dat is soms best wel vermoeiend (of eerlijker: best wel irritant). En waar ik me zorgen over maak: hoe moet dat dan als hij ooit wel weer naar de opvang gaat? Kan hij dan nog wel z’n draai vinden tussen kinderen die eraan gewend zijn het speelgoed te moeten delen en de dag door te brengen zonder hun ouders in het vizier? Ik probeer hem in elk geval maar alvast zo veel mogelijk sociale en motorische skills bij te brengen – zoals z’n jas op de grond leggen en hem die dan zelf over z’n hoofd laten aantrekken, ook zo lullig als hij dat straks als enige peuter van de speelzaal nog niet kan.

Kantelpunt

Fysiek slaat Gijs zich ondertussen redelijk goed door de herfst- en wintermaanden heen. En: hij blaast twee kaarsjes uit. Voor ons een magische leeftijdsgrens, want de longarts vermoedt dat er, als Gijs twee is, een kantelpunt komt, waarna hij sterker is en beter bestand zal zijn tegen rondvliegende ziekmakers.

Dat kantelpunt lijkt hij aan het einde van mijn Gijsvrij-tijdperk inderdaad te hebben bereikt. Hij is steeds minder vaak ziek en als-ie iets te pakken heeft, herstelt hij sneller. Het is, kortom, tijd om de balans op te maken. ‘Probeer het maar,’ zegt de longarts. ‘Er is maar één manier om erachter te komen of hij sterk genoeg is, en dat is door hem naar de opvang te brengen.’ We bouwen het rustig op: eerst maar eens kijken hoe hij fysiek (en sociaal) gedijt bij een ochtendje peuterspeelzaal. Gaat dat goed, dan kan-ie over een paar maanden doorstromen naar z’n oude matties van het kinderdagverblijf. Ik hoop het zo. Vooral voor Gijs, want die kan volgens mij na al die maanden treinbanen bouwen en de kinderboerderij onveilig maken met z’n moeder wel wat uitdagingen gebruiken. En ik zelf trouwens ook.

Trots

En dan is het zover. Na anderhalf jaar thuis te zijn geweest, loopt mijn stoere peuter met Nijntje in zijn rugzak naar de deur van de peuterspeelzaal. Als ik hem drie uur later ophaal, krijg ik een compliment van de leidsters. ‘We zijn zo trots op Gijs. Hij heeft heerlijk gespeeld, ook met de andere kinderen. Wat een gezelligerd.’ Aan sociale skills blijkbaar geen gebrek. Mijn tijdelijke nieuwe leven is voorbij. En dat voelt toch ook wel weer als een bevrijding.

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Tekst: Saskia Borst, beeld: Shutterstock

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.