Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 
door

Je kind heeft een favoriete ouder: zo ga je ermee om

Soms is je kind genadeloos eerlijk over zijn voorkeur. De ene keer ben jij zijn favoriete ouder, de andere keer je partner. Of misschien ben je het wel nooit en baal je daarvan. Zegt het eigenlijk iets over jullie band later?

Een volle kringverjaardag. Lachend wankelt Sol (bijna twee) op zijn doel af: een schaal minitomaten. Zodra hij er een te pakken heeft, tilt zijn moeder hem op schoot. Sol zet het op een brullen. ‘O haha,’ lacht zijn moeder ongemakkelijk naar de andere gasten. ‘Hij is niet zo schootzitterig.’ Sol blijft huilen en strekt zijn armen uit naar zijn ándere moeder. Het is glashelder naar wie hij toe wil. Sol heeft die middag al een paar keer eerder vol overgave om zijn andere moeder geroepen – ondanks pogingen van beide moeders om die voorkeur een beetje te verdoezelen.

Advertentie

Vanzelfsprekend

Nergens voor nodig, vindt pedagoog Mariëlle Beckers van BuroBloei. ‘Je hoeft je echt níet te generen voor zoiets. Het is heel natuurlijk dat een kind een – tijdelijke – voorkeur heeft voor een van zijn ouders. Dat kan aan van alles liggen. Soms komt het doordat een van de twee ouders fysiek minder vaak aanwezig is, waardoor het kind op momenten dat die ouder er wél is, alle aandacht wil opslurpen. Het tegenovergestelde kan evengoed het geval zijn, dat je kind juist meer toetrekt naar de ouder die het meest aanwezig is. Dit zie je vooral bij heel jonge kinderen.’

Hechting

De beschreven situatie ligt wat gevoeliger omdat het jochie een sterke voorkeur voor zijn biologische moeder liet doorschemeren – iets waardoor zijn andere moeder zich toch een beetje afgewezen voelt, vertelt ze later. Beckers: ‘Zo’n fase van voorkeur heeft ook met hechting te maken: vanaf de geboorte hecht een kind zich in eerste instantie aan de primaire hechtingsfiguur, de primaire verzorger – degene die het meest aanwezig is. Vaak is dat de moeder, of in dit geval de biologische moeder, zeker als een kind borstvoeding krijgt. Dat is heel natuurlijk in het begin, het trekt later ook vanzelf bij: het kind zal zich dan net zo goed hechten aan de andere opvoeder.’

Geen druk

Ondanks de begrijpelijke gevoeligheid in deze specifieke situatie, is het volgens Beckers over het algemeen belangrijk om het ‘probleem’ niet op te blazen. ‘En zeker niet te forceren. Kinderen hebben bovenal behoefte aan ouders die sensitief reageren, dát is cruciaal voor de hechting en hun ontwikkeling. Met andere woorden: een huilend kind moet getroost worden en als de ene ouder hem niet kan kalmeren maar de ander wel, maak daar dan verder geen punt van. Laat het gebeuren, en geef je kind waaraan – of wie – hij op dat moment behoefte heeft. Zeker als je buitenshuis bent. Als iets dergelijk thuis gebeurt en de ‘favoriete’ ouder loopt de kamer uit, dan zal het kind zich heus wel door de ander laten kalmeren, maar op zo’n verjaardag, met beide ouders in beeld, werkt dat anders. Accepteer dan gewoon dat hij bij de ander, of juist bij jou, op dít moment meer rust krijgt.’

Lees ook: Hoe ga je om met eenkenningheid bij je baby?

‘Nee, papaaa!’

Zelf kan ik me niet heugen dat mijn jongens (inmiddels zes en vier) in hun piepjonge jaren echt een specifieke voorkeur voor mij of hun vader hadden. Gravend in mijn geheugen herinner ik me wel dat ik af en toe een blauwtje liep op de crèche. Mijn vriend was ‘de brenger’ en ik ‘de haler’. Dan kwam het voor dat ik vol verwachting het pand binnenliep en – heel klassiek – met gespreide armen in de deuropening neerhurkte om mijn zielsgelukkige zoon op te vangen en plat te knuffelen. Maar dat liep dan net anders. Soms zag een ander kind me al eerder en riep: ‘Kijk, Faas, je mama!’ Waarop Faas zich beteuterd omdraaide, zuchtte en vervolgens boos riep: ‘Neehee, pápa moet mij ophalen!’ Baf. Hoewel ik dat op zich prima in perspectief kon zien, kwam zijn teleurgestelde blik toch altijd binnen, al was het maar even.

Dat gevoel is er ook als de kinderen hard om papa roepen als ze vallen of zich pijn doen, terwijl ik er nota bene naast sta om ze te troosten. Volgens mijn vriend gebeurt dat andersom ook – ik kies ervoor dat te geloven. ’s Nachts roepen ze overigens ook om hun vader, maar waarschijnlijk omdat deze moeder – als ze eenmaal slaapt – volkomen in coma ligt en nergens meer op reageert. Met die ‘ongelijkheid’ kan ik dan weer prima leven.

Kwestie van gewennning

Beckers: ‘Wat opvalt, is dat kinderen van stellen die het ouderschap echt fifty-fifty verdelen, over het algemeen een minder uitgesproken voorkeur hebben. Waarschijnlijk omdat het normaal is dat beide opvoeders álle taken uitvoeren en/of evenredig aanwezig zijn. Het is namelijk ook een kwestie van gewenning. Kinderen die al vanaf hun vierde maand naar een crèche of kinderdagverblijf gaan, en in feite gewend zijn aan andere mensen dan hun eigen opvoeders, zullen daarin wat flexibeler zijn. Even los van het gegeven dat elk kind uiteraard anders reageert.’

Duidelijke voorkeur

Zo heeft de eenjarige Lisa, dochter van Emilie, al enige tijd een duidelijke voorkeur voor haar moeder. Emilie is veel thuis bij haar dochter, haar man is vaak op pad. Dus als Emilie aan het eind van de dag haar verzorgende taken wil overdragen aan haar man, steekt Lisa daar een stokje voor door totaal niet mee te werken. Emilie: ‘Op sommige dagen heb ik al mijn energie verbruikt en als mijn man dan thuiskomt, zeg ik: “Zo, hier is je dochter.” Dan mag hij het uitgebreide avondritueel met Lisa doen, terwijl ik de zooi in de keuken opruim of tig wassen vouw.

Mijn man vindt dat leuk – hij heeft zijn dochter immers de hele dag niet gezien – maar Lisa ziet het als een minder goeie deal. Ze begint direct te jammeren en te huilen en gaat volledig in de weerstand. Máma moet haar in bad doen, máma moet haar naar bed brengen, máma moet het verhaaltje voorlezen en al haar knuffels toedekken. Moe van het ‘gedoe’ kies ik dan soms voor de weg van de minste weerstand en ga overstag.’

Lees ook: Vier hechtingsstijlen: op welke manier is je kind aan je gehecht?

Niet in meegaan

Beckers: ‘Eerlijk? In mijn optiek is het niet verstandig om hier in mee te gaan. Een kind van ongeveer één jaar zit vol in de hechtingsfase en kan daardoor eenkennig zijn. Vaak hangt hij dan extra aan de ouder met wie hij de meeste tijd doorbrengt. Kleine kinderen varen nou eenmaal goed op weinig verandering en veel van hetzelfde, dus als hij eraan gewend is dat zijn moeder alles doet of er altijd is, dan vindt hij dát uiteraard het prettigst. En dus kan hij gaan huilen of tegensputteren als jij een ander plan hebt. Dat kan lastig zijn, zeker. Maar door eraan toe te geven, zeg je eigenlijk: je hebt gelijk, het ís ook niet veilig bij papa. Beter kun je je kind helpen om zijn gewenning te doorbreken en hem te laten ervaren: hé, wacht eens, het is ook goed als mama er niet is en papa het overneemt, ook al gaat het dan iets anders dan ik gewend ben. Zo geef je je kind vertrouwen.’

Waarom raakt dit me?

Bij Janna is juist het tegenovergestelde aan de hand. Ook zij is voor haar kinderen van nul, drie en vijf de ‘primaire verzorger’. Maar zodra haar man in beeld is, valt zij buiten de prijzen. Dan is haar man plots de populaire ouder: de vader bij wie de televisie vaker aanstaat, die zonder over broccoli te reppen friet haalt en alle aandacht heeft voor zijn kinderen óp die spaarzame momenten dat hij aanwezig is. Het steekt Janna.

Beckers: ‘Ik kan me voorstellen dat dat vervelend moet voelen. Jij loopt hele dagen te sloven en de opvoeding te verzorgen en hij gaat er met de populariteitsprijs vandoor. Juist omdát hij er minder vaak is en minder huishoudelijke taken heeft. Toch moet je dan bij jezelf te rade gaan: waarom vind ik dit nou zo erg? Waarom raakt dit me? Grote kans dat het te maken heeft met je eigen onzekerheid of misschien wel ontevredenheid over de invulling van je leven. Misschien heb je je baan wel opgezegd om bij de kinderen te kunnen zijn, maar valt het thuismoederschap behoorlijk tegen en mis je je werk? Misschien doe je te veel en moet je met je partner overleggen welke taken jullie beter kunnen verdelen?’

Loslaten wat moet

In dat geval zal je zelf de situatie moeten veranderen, zegt Beckers. ‘Kijk eens goed naar je eigen leven. Maar ook: laat de puinhoop gewoon eens wat vaker voor wat-ie is en geniet ervan. Als moeder kun je ook zeggen: het is mooi weer, ik laat de boel de boel, we gaan picknicken. Maar over het algemeen hebben vrouwen er moeite mee om het huishouden en ‘alles wat moet’ los te laten. Het is eerst: het huis aan kant, alle lijstjes afwerken en pas daarná… Vervolgens heb je minder energie over om iets leuks te gaan doen en komt de partner thuis, die het wel gezellig oppakt. Verander dat, of koester het.
Want als je samen kinderen hebt, moet je juist naar elkaars sterke kanten kijken, die benutten en ervan genieten.’

Samen meebewegen

Het valt Beckers op dat ouders tegenwoordig onzeker zijn over of ze het goed doen. ‘Niet nodig,’ wil ze ouders op hun hart drukken. ‘De meeste kinderen ‘bouncen back’. Daarmee bedoel ik dat als de basis goed is, als kinderen zich geliefd voelen en getroost worden, dan kunnen er ook weleens dingen minder goed gaan. Ze hebben veerkracht.’ Overigens zeggen voorkeursfases niks over de toekomstige band met je kind. Zulke dingen verschuiven en blijven bewegen, legt Beckers uit, juist ook naarmate ze ouder worden.

‘Kinderen voelen vanzelf aan bij wie ze voor wat moeten zijn. Als je kind sportief is en jij ook, dan zullen jullie waarschijnlijk vaker samen sporten. Bij de andere ouder vindt hij misschien juist wat meer rust. Dit kan met de jaren veranderen, en dat is heel natuurlijk: niet in een kramp schieten dus, maar gewoon blijven meebewegen. Een kind haalt bij zijn ouders precies wat hij van diegene op dat moment nodig heeft.’

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Tekst: Kim Hopmans, beeld: Shutterstock

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.