Dirk Lotgerink (1985) schrijft, is docent Spaans en werkt als tolk in de internationale voetbalwereld. Hij woont samen met Kayleigh in Beek (bij Nijmegen). Thorre en Lizzie, hun driejarige tweeling, vormen de inspiratie voor zijn columns.
In de tuin van ons vakantiehuis in de Ardennen springt mijn dochter op de trampoline. ‘Papa, kom je erbij?’ vraagt Lizzie. Natuurlijk. Een vader die daar nee tegen zegt, is de titel niet waard. Toch schuilt er een gevaar in deze blinde vorm van liefde. Mijn vriendin zegt al maanden hoe graag ze zo’n lelijk ding thuis in onze achtertuin zou zien. Maar wat is de meerwaarde ervan voor onze tweeling? Ik kan niets bedenken. Kayleigh wel. Zij ziet een veelgebruikt stuk speelgoed voor zich, ik een gigantische kooi die het laatste groen uit onze tuin sloopt. ‘Het is toch prachtig om naar onze springende kinderen te kijken vanuit de woonkamer?’
Kinderparadijs
Tja, wat kan ik antwoorden? Dat onze achtertuin al tekenen vertoont van een wanstaltig kinderparadijs met een speelhuis, glijbaan en slecht geparkeerde tractoren. Dat er bomen – die de kinderen bos noemen – moeten sneuvelen?
‘Je kunt hem makkelijk ingraven, zodat er geen hele kooiconstructie gebouwd hoeft te worden.’
Lees ook: Het leukste buitenspeelgoed per leeftijd
Ik loop naar de kooi en klim erin. Mijn dochter straalt, maar één sprong van deze onhandige papa is genoeg om een huilbui te ontlokken. ‘Je moet niet zo hard springen, dan val ik!’ schreeuwt ze. Ik baal van haar tranen, maar nog meer baal ik van deze hele trampoline. Bedrukt daal ik van het trappetje. Op het terras kijk ik met Kayleigh naar onze dochter, die nu op haar billen probeert te landen om weer door te springen. Wat ik zie, is een meisje dat haar angsten verliest. Toen we bij dit vakantiehuis aankwamen, durfde ze nog niet in de trampolinekooi te klimmen. Nu stuitert ze lachend door de Ardennen.
Lees ook: Een trampoline in de tuin? Dit is waarom ingraven echt nodig is
Ruggengraat
‘Straks krijgen we allemaal buurtkinderen over de vloer van wie de ouders wel over een ruggengraat beschikken’, zeg ik. Voor ons heeft Lizzie de tijd van haar leven. ‘Kom, Thorre!’ schreeuwt Lizzie. Haar broertje klimt in de kooi en samen springen ze. ‘Bij vriendinnen zijn de kinderen inmiddels twaalf en hebben ze er al tien jaar plezier van. Ze gebruiken hem nog steeds, dus de investering is het waard’, gooit Kayleigh olie op het vuur. Ik zie dat mijn tweeling plezier heeft.
Duurt deze infantiele levensvreugde echt tot in de puberteit? Ben ik echt een slechte vader omdat ik zo’n afzichtelijk stuk speelgoed niet in mijn eigen tuin wil? Omdat ik in de herfst liever naar blaadjes in de boom kijk, dan naar een deprimerend stuk speelgoed? ‘Ik wil hem niet op de plek van de rododendron’, zeg ik, terwijl mijn rug kraakt. Een schop, een gat. Een gelukkige tweeling. Binnenkort graaf ik die kuil wel. En voordat ik erin val, spring ik er bovenop.
Meer lezen van Dirk? Dat kan in zijn dossier.