‘O ja’, zeg ik zo enthousiast mogelijk. ‘Wat een ... mooie kleuren!’ Ik kijk naar een vel papier met een paar gekleurde strepen en daaronder een grote paarse vlek. ‘En wat zie ik hier?’, vraag ik.
‘Dat zie je toch?’, zegt mijn 6-jarige dochter. ‘Dit is ons huis. En dit is een regenboog.’
Ze kijkt me aan met een open blik, zonder oordeel, vol vertrouwen. ‘Wil je de andere ook zien?’
Een doorlopend systeem
Met ‘de andere’ bedoelt ze de enorme stapel tekeningen die ze eens in de zoveel tijd mee naar huis krijgt vanuit school. En dat is dan alleen háár aandeel. Ik ben moeder van drie, dus dit is geen fase of een hobby meer, dit is een doorlopend systeem. Of eigenlijk: het totale gebrek daaraan.
De kasten liggen vol. Met tekeningen die thuis zijn gemaakt, bij oma, op de opvang en op school. Overal waar een kind, een potlood en een paar minuten stilte samenkomen, ontstaat een tekening die daarna mee naar huis gaat.
Lees ook: Van beste basic tot wannahave: dit zijn de leukste knutselspullen per leeftijd
Groot denken
Het repertoire is inmiddels vertrouwd. Van mijn 3-jarige zoon zijn het vage strepen en vlekken in primaire kleuren, soms met een verrassend fanatieke haal. Van mijn 6-jarige dochter vooral veel regenbogen, zonnen met gezichten en mensen zonder nek en met zes vingers.
En dan zijn er nog de tekeningen van dingen die we niet hebben, maar die ze wel graag zou willen. Een turnbalk in haar kamer. Een huis met vijf verdiepingen. Een kamer met een eigen inloopkast. Mijn oudste denkt groot. En vooral ruim.
Overal kunst
Dat is ook nodig, want de kasten puilen uit. Zodra ik er eentje open, glijden gekreukte tekeningen langs mijn benen naar beneden en belanden op de grond. Ze hangen op de koelkast, liggen onder de tafel, zitten geklemd tussen boeken, gekreukt in tassen en jaszakken en duiken op onder de autostoel. Overal blaadjes. Overal kunst. En overal het stille bewijs dat mijn huis langzaam zijn oorspronkelijke functie verliest.
En dan is er steeds weer die vraag: wat moet ik ermee? Weggooien voelt heel even pijnlijk, want zo’n zon met oogjes is toch schattig, maar ik kan ze ook niet met honderden tegelijk bewaren. Bovendien wordt weggooien door mijn kinderen duidelijk níét gepikt.
Verraad
Ik heb het vaker geprobeerd, met zo zacht mogelijk geritsel, diep onderin de container, zorgvuldig verstopt onder koffiedrab en bananenschillen. Heel even voel ik dan rust, opluchting zelfs, tot er plotseling een stem klinkt: ‘Waar is die tekening van papa en jou en ons huis?!’
Want weggooien is voor hen geen opruimen. Weggooien is verraad. Alsof ik daarmee zeg dat hun leefwereld er niet toe doet. Dat zij er niet toe doen. Terwijl het in werkelijkheid gaat om een gekreukt A4-tje met drie strepen en een vlek pindakaas.
Een plan
Op een dag roep ik dapper dat we de tekeningenkast gaan opruimen. Ieder kind mag tien tekeningen uitkiezen die écht belangrijk zijn. De rest doen we weg. Een plan. Een structuur. Hoop.
Maar zelfs een halve tekening, met een scheur, een vouw of een vlek, of iets wat overduidelijk begon als kladje, blijkt ineens van onschatbare waarde. Alles heeft status. Alles is belangrijk. ‘Dit mag je nóóit weggooien!’, wordt er steeds geroepen als we de tekeningen één voor één bekijken.
Lees ook: 10x creatieve tips waardoor de mooiste kindertekeningen en knutsels niet verloren gaan
Vroege werken
En zo verdwijnen er na een middag tekeningen keuren geen 500, maar ten minste 489 tekeningen weer terug de kast in, waar ze opnieuw uitpuilen, vallen en zich overal tussen wurmen.
Misschien is de oplossing wel: niets doen. Wachten tot de puberteit. Of alles ooit samenvoegen tot één groot kunstwerk en het stallen bij oma op zolder. Tot die tijd blijft ons huis een galerie, met wisselende exposities. De vaste collectie heet: Vroege werken. En structureel te weinig ruimte.
Meer columns van Lauren lezen? Dat kan hier.