Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 

Marte werd lastig gevallen bij de abortuskliniek

Ik heb lang, heel lang getwijfeld of ik mijn verhaal wilde vertellen. Het verhaal van mijn abortus, in april 2020. Midden in de eerste lockdown, bij de Bloemenhovekliniek in Heemstede. Waar ik een jaar en zes dagen eerder ook al was voor mijn eerste abortus.

Slechte vrouw

Het zou goed kunnen dat er in veel van jullie, lezers, zich nu al een paar (voor)oordelen hebben genesteld. Ik denk dat ik ze wel kan uittekenen. Want welke vrouw laat het in godsnaam twee keer achter elkaar tot een abortus komen? Nooit van anticonceptie gehoord? Arme vrouw. Domme vrouw. Slechte vrouw. Moord is een zware term natuurlijk, maar laten we nou ook niet doen alsof abortus niets voorstelt. Je breekt natuurlijk wél een leven in de knop. Daar zal je mee moeten leren leven. Dat soort dingen zouden jullie kunnen denken.

Advertentie

Online haat

Maar misschien heeft niemand ook maar het minste (voor)oordeel. Zit het allemaal in mijn hoofd. En is het helemaal niet nodig dat ik dit verhaal onder pseudoniem schrijf, omdat mijn inbox en socialmediakanalen al keer op keer volgelopen zijn met imaginair haatcommentaar. Wat weer is gebaseerd op echte online haat en onbegrip die ik – noem het zelfkwelling – al zo vaak op ­Facebook voorbij zag komen als het om abortus gaat. Dat waren trouwens doodnormale, vriendelijk ogende mensen. Buren aan wie ik moeiteloos mijn planten en katten zou toevertrouwen. Maar die woorden spuien die me zo slecht deden voelen dat ik wist: hier wil ik me niet moedwillig aan blootstellen.

Fullcolour foetussen

Ik reed zelf die ochtend van de abortus. Dat had ik achteraf nooit moeten doen, maar ik wilde het. Misschien was het stuur mijn laatste houvast, vlak voordat ik alle controle uit handen ging geven. Het ultieme uit handen ging geven. Voor het hek van de parkeerplaats zie ik drie nonnen  staan met hun borden met fullcolour foetussen en hun leuzen in rode letters. Ik herinner me alleen nog het woord ‘save’. Ik begon te hyperventileren achter het stuur, zei dat ik niet langs die mensen wilde.

Levens redden

Ga weg alsjeblieft, laat me met rust. Hoe dúrven jullie, nu, hier, op dít moment. Jullie willen levens redden? Ik probéér hier een leven te redden godverdomme! Jullie moesten eens weten. ‘Rij door,’ zei mijn vriend. ‘We zoeken een andere ingang.’ Toen we de hoek om waren, zette ik de auto aan de kant en kwam ik langzaam weer op adem. Het was lang geleden dat ik zulke diepe woede had gevoeld. Het soort woede dat je alleen voelt als je groot onrecht wordt aangedaan. Tegelijkertijd wist ik dat ik niet bij machte was iets te zeggen als ik langs ze moest lopen. Omdat ik niet wilde dat ze iets terug zouden zeggen.

Schaamte

We liepen over straat, langs de keurige Heemsteedse villa’s, de aangeharkte tuinen. Die ik niet zag. Want ik liep met gebogen hoofd over straat en zag alleen stoeptegels.
Schaamte. Dat had ik niet eerder gevoeld. Blijkbaar ontstaat dat als je wordt geconfronteerd met mensen die je, op dit cruciale moment, het gevoel geven dat je op het punt staat een moord te begaan. ‘Volgens mij is daar de hoofdingang,’ zei mijn vriend. En daarna, in één adem door: ‘Wat is dat nou voor een raar figuur? Daar, met die lange zwarte jas.’ Ik, hopend tegen beter weten in: ‘Misschien is het een gothic die op de bus staat te wachten.’ Een flits van een man in een lange, zwarte monnikspij die op me afkomt. ‘Excuse me, are you pregnant?’ Stop. Stop met denken. ‘I can help you.’ Het zilveren kruis om de nek, de zware Duitse tongval. ‘Don’t do it. Don’t kill your baby.’

Buikaaien

Tot diep in de nacht ervoor had ik over mijn buik geaaid. En ik weet nog dat ik dacht: dit is dus hoe het is om vanbinnen verscheurd te zijn. Ik voelde het letterlijk; een kleine implosie die mijn keel dichtkneep. Ik herhaalde maar weer de zinnen die de afgelopen anderhalve week mijn mantra waren geworden. Ik doe dit uit liefde, dat weet je hè? Ik doe dit omdát ik van je hou. Omdát ik je het allermooiste leven gun. Kom terug, alsjeblieft. Maar dan in een gezond lichaam. Oké?

Niet ongewenst

Een gezond lichaam, inderdaad. Want abortus gaat niet altijd over ongewenste zwangerschappen. Mijn twee zwangerschappen waren heel erg gewenst. Mijn abortusverhalen begonnen pas op het moment dat ik de telefoon opnam en de verloskundige: ‘Ik heb hier de uitslag van de NIPT’ hoorde zeggen. De oerbrul die daarop volgde, het ongeloof, de onderzoeken, de gynaecoloog die dit ook nog nooit had meegemaakt en die het definitieve vonnis gaf: ik was inderdaad opnieuw zwanger van een ernstig gehandicapt kind. ‘Ik neem aan dat jullie deze keer ook weer kiezen voor afbreking?’ ‘Ja,’ zeiden wij. Volmondig.

Liefdevol abortus

Ik weet niet meer hoe ik de vijf dagen wettelijke bedenktijd doorkwam. Ik weet wel dat ik ze paternalistisch, emotioneel belastend, bijna misdadig vind. Er spreekt zo’n wantrouwen uit, alsof er iets mis is met het beslissingsvermogen van vrouwen. Alsof we niet hebben nagedacht voor we de kliniek bellen. Als een vrouw een zwangerschap wil voortzetten, stellen we toch ook geen vragen? En dat terwijl díé keuze juist goed afgewogen moet worden, lijkt mij. Je moet weten wie je bent. Wat voor leven bied je een kind? En komt dat overeen met het leven dat je een kind wílt bieden?
Als het antwoord op die tweede vraag een volmondig ‘nee’ is, is abortus soms het meest liefdevolle dat je voor een kind kunt doen.

Schuldig en verdrietig

‘Dit is het eerste besluit dat jullie samen als ouders gemaakt hebben,’ zei de lieve verloskundige toen ze tegenover ons zat op de bank. ‘En ik vind het een goed en dapper besluit.’
En dat vond iedereen in onze omgeving. Ik voelde me gedragen, geliefd en gesteund. En schuldig. Ook dát is abortus: tot in je tenen overtuigd zijn van je keuze, maar je ook verdrietig, verscheurd, en diep schuldig voelen. Het bestaat allemaal naast elkaar. Het houdt elkaars handen vast.

Schel licht

Ik mocht zelf naar de behandelkamer lopen. In mijn blauwe badjas en op slippers. Net als een jaar en zes dagen daarvoor. Alles was hetzelfde. De automatische schuifdeur. Het operatiehemd, het schelle licht, de stijgbeugels, een stuk of acht vriendelijke vrouwenogen boven mondkapjes met moederlijke woorden. ‘Geen zorgen, komt goed, een klein roesje, je gaat niets merken. Goed zo, ik tel met je mee: een, twee, drie, vier…’

Ik voel me leeg

‘Hoelang ben ik weggeweest?’
‘Tien, twaalf minuten,’ zegt mijn vriend. Zo weinig tijd. En toch zo’n ander tijdperk.
Hij houdt mijn hand stevig vast. Achter zijn ogen staan tranen.
‘Hoe voel je je?’
‘Leeg.’

Koortsachtig op zoek

Ineens voel ik hoe droog mijn mond is. Hoe eerst mijn maag zich samenperst, en daarna langzaam mijn keel. Een flits van de man in een lange, zwarte monnikspij die op me afkomt. ‘Don’t do it. Don’t kill your baby.’ Ik hap naar lucht en schiet omhoog. Mijn handen grijpen naar de wastafel. Ik blijf maar kotsen. Het lijkt alsof mijn lijf zich binnenstebuiten wil keren, alsof het koortsachtig op zoek is. ‘Dit is niet gebruikelijk. Dat zijn echt de emoties,’ hoor ik in de verte een verpleegster zeggen.

Geen spijt

‘Don’t do it. Don’t kill your baby.’ Ik denk nog vaak aan die woorden. Aan die afschuwelijke, ondermijnende, criminaliserende woorden toen ik op mijn kwetsbaarst was.  Ik denk nog elke dag aan de baby’s die ik in liefde heb laten gaan. Ik mis ze. Rouw om ze. En soms voel ik nog dat diepe schuldgevoel. Maar er is ook iets wat ik nooit heb gevoeld als ik aan mijn abortussen denk. Geen seconde. Spijt.

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine. Beeld: Shutterstock. 

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.