door

20x grappige peuterversprekingen

Brengwauwers (wenkbrauwen), chupchup (ketchup), eistrijker (strijkijzer): peuters doen de meest briljante versprekingen. Op Facebook vroegen we welke taalvondsten jullie koesteren. Onze twintig favorieten:

  1. Nousjka: ‘Onze Aiden (twee jaar) zegt tegen iets wat kapot is: “patoet”. Wel zegt hij overigens zonder problemen ovenschotel. Peuters zijn raar.’
  2. Maud: ‘Krokkedel voor bij de frietjes… Kom niet met een kroket aan, want ze wil dan toch echt een frikandel.’
  3. Carin: ‘De druppelmepper moest van onze zoon aan tijdens een autorit, want het regende. Oftewel: de ruitenwisser.’
  4. Marielle: ‘Mijn dochter wilde altijd chupchup bij het eten… Ketchup dus.’
  5. Nadja: ‘Uiers (meervoud van ui), zegt mijn oudste altijd. We houden ‘m erin.’
  6. Chantal: ‘Ons zoontje van drie vraagt altijd of ik weet waar zijn Duplo-poepetje is (poppetje). Laatst heb ik er nog een paar opgeschreven. Zo speelde hij een boef die ging ontspannen (ontsnappen) en heeft hij geleerd dat sommige mensen mooikoorts hebben.’
  7. Nicole: ‘Mijn zoon, inmiddels tien jaar, kon vroeger de letter “r” niet uitspreken. Meestal geen probleem, behalve als je buurman Pedro heet…’
  8. Miranka: ‘Als hier een auto van de hulpdienst voorbij reed, kwam er een “ambulanceweerauto” voorbij. We vinden hem zo briljant dat we ‘m nog bijna altijd gebruiken.’
  9. Hilde: ‘Brengwauwers (wenkbrauwen) en valwater (waterval) zijn inmiddels al achttien jaar in gebruik bij ons gezin, omdat onze zoon het zo zei.’
  10. Lara: ‘Toen onze dochters kleiner waren, hadden ze ook leuke benamingen die we liever niet verbeterden… Zoals smeermuisje (vleermuis) en ruimtewissers (ruitenwissers).’
  1. Maurice: ‘Ik werk in de scheepvaart. Een klein manneke riep in de avond al wijzend: “Kijk! Een schijnwerker!” Ik lag dubbel van het lachen, want hij bedoelde de schijnwerper, een gerichte bundel licht. Toevallig liep daar een man die aan het werk was…’
  2. Rose: ‘De oudste maakte toen ze vier was van een salamander, een mallesander. Elke vakantie als we er een zien lachen we er nog om.’
  3. Joyce: ‘Kinderwagen werd waggel. De hele dag zei hij “waggel waggel”. Helemaal niks snapten we er van. Tot het uiteindelijk ’s avonds tot me doordrong dat hij graag wilde wandelen met de kinderwagen.’
  4. Astrid: ‘Wij hebben jaren “autonieuw” gevierd… De verbazing toen ze erachter kwamen dat het oud en nieuw was…’
  5. Marjolein: ‘De leukste van ons mannetje Tygo vond ik de potkleuren, oftewel kleurpotloden. Goede nummer twee zijn de draailoeven, oftewel schroevendraaiers.’
  6. Melina: ‘De tantepline (trampoline) en de saneplu (paraplu): hoe vaak ik het ook anders zeg, ze blijft het zeggen. Ik laat het nu maar zo. Het klinkt ook wel schattig. O ja, en ze kan niet tegen klieten (kietelen).’
  7. Anja: ‘Ons oppaskindje zei als peuter altijd “pingping” tegen een pinguïn. Door ons nog steeds gebruikt.’
  8. Claudia: ‘Mama mag ik een stofijsje? Een softijsje dus… De spiegel is hier altijd erg aangeslagen na het douchen en wanneer het mistig is buiten zegt ze fristig… Ze is nu vier en ik krijg dat er echt niet uit.’
  9. Kim: ‘Toen mijn zoon drie was, wilde hij ook ballenlippentift op… Ik moest even nadenken, maar het was lippenbalsem. Ook vond hij mikkemaas (pindakaas) op brood lekker!’
  10. Fia: ‘Mijn dochtertje vroeg: “Mam, wanneer gaan we weer naar de chineesje?” Ik vroeg: “Naar wat?” Zij, nog harder: “Nou gewoon naar de paardenchineesje!” O, de paardenmanege!’

Auteur: Tara Stokdijk