Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 
door

'Mam, mag ik een kat?' Als je kind een huisdier wil (en jij niet)

De zoon van journalist Femke Zijlema wil een hond. Of een kat. Dat lijkt ’m geweldig. Haar lijkt het vooral gedoe. Nóg iets erbij om te verzorgen? Aan de andere kant: opgroeien met een huisdier schijnt goed te zijn voor kinderen. What to do?

Ja hoor, daar is-ie, dé vraag. Het zaadje werd anderhalf jaar geleden al geplant in de heuvels van de Piemonte in Italië. Olaf, een zachtaardige, lichtblonde golden retriever meldde zich standaard bij het ochtendgloren voor een stevige hug met mijn zoon, toen tweeënhalf. Na die hondenintroductie volgden vele wandelingetjes met honden in de buurt. Vrijwel elk hondje dat hij tegenkwam, tackelde hij voor een sessie aaien of stokje gooien. En, nu net vier jaar, stelt hij dus die onvermijdelijke vraag: ‘Mama, mogen we een hond?’ Ik, zelf opgegroeid met honden, antwoord: ‘Ja, honden zijn leuk! Laten we het even met papa bespreken.’

Advertentie

Bedenkingen

Maar meteen daarna komen mijn bedenkingen. Ik zie mezelf niet drie keer per dag naar buiten gaan voor een ommetje. En: wie past er op de hond als wij weg zijn? We gaan nogal vaak op pad, en het gevoel dan altijd iemand achter te moeten laten, vind ik niet leuk. Ook niet onbelangrijk: mijn dochter (3) is bang voor dieren. Van mier tot muis en van kever tot kat. Waar haar angst vandaan komt: ik heb echt geen idee. Wij houden thuis van dieren, helpen een wesp via een glas weer naar buiten, eten geen vlees en stoppen vaak bij de schapen/koeien/paarden in de wei. Mijn zoon loopt naar zijn vader en vraagt: ‘Mogen we een hond?’ Waarop mijn man zegt: ‘Nee, honden vind ik niet zo leuk. Een kat wel.’ En zo wordt hij van het katje naar de muur gestuurd.

33 miljoen dieren

Een kat, wil ik dat eigenlijk wel, vraag ik me later die avond af. Het lijkt me zo’n gedoe. Ik vind twee kinderen super, maar ook een verantwoordelijkheid. Nóg iets erbij om te verzorgen? Maar mijn zoon wil het zo graag. En misschien helpt het onze dochter versneld van haar dierenangst af? We zouden in ieder geval geen uitzondering zijn, want ongeveer 59 procent van de Nederlandse gezinnen heeft een huisdier. In 2014 hadden we met z’n allen ruim 33 miljoen gezelschapsdieren: 2,6 miljoen katten, 1,5 miljoen honden, 0,2 miljoen fretten, 1,2 miljoen konijnen, 0,5 miljoen knaagdieren, 3,9 miljoen zang- en siervogels, 5 miljoen postduiven, 0,65 miljoen reptielen en zo’n 18 miljoen aquarium- en vijvervissen.

Gezinslid

‘Gezelschapsdieren spelen een belangrijke rol in de Nederlandse samenleving en worden steeds vaker beschouwd als lid van het gezin. Ze hebben een aantoonbare positieve invloed op het geestelijk en lichamelijk welbevinden van eigenaren en zijn belangrijk voor onder andere de ontwikkeling van kinderen,’ lees ik in het rapport Feiten en cijfers gezelschapsdieren 2015, opgesteld in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, door HAS Hogeschool, HAS Kennistransfer & Bedrijfsopleidingen en de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht.

Wat héb je eraan?

‘En een kat dan?’ begint mijn zoon die week daarop tegen mij. ‘Ja, dat vind ik leuk!’ roept mijn man voor zijn beurt. ‘Wij hadden vroeger ook een poes.’ Ik kijk hem vragend aan. Een kat? Ineens voel ik een hard, schuurpapierachtig lapje over mijn hand likken. Ik weet dat ik nu veel kattenliefhebbers tegen me in het harnas jaag, maar katten: wat héb je eraan? Ze hangen de hele dag rond, op de bank, op je schoot, op de vensterbank in de zon. Af en toe maken ze een walk about en zie je ze uren niet. Komen ze terug met een muis in hun bek of een dood vogeltje. Of niks. Ze mauwen wat, gaan tukken en dóór. ‘Sommige willen wel overgooien met een balletje of een beetje stoeien hoor,’ zegt mijn man.

Voordelen

Ik ben opgegroeid met honden. Wandelen, ravotten, knuffelen, zwemmen, voetballen: er  valt altijd wat te beleven met die beesten. Een huisdier, dus ook een kat, brengt een berg aan positieve effecten met zich mee, lees ik op de website van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren. Uit onderzoeken blijkt dat een huisdier goed is voor de ontwikkeling van je kind. Zo zou het omgaan met honden stressreducerend werken, en krijgen kinderen dankzij een hond meer beweging. Door een dier te aaien gaan je bloeddruk en hartslag naar beneden en ook je weerstand krijgt van een huisdier een boost. Huisdieren zijn ook goed voor de sociale ontwikkeling, lees ik. Kinderen die opgroeien met een huisdier zouden steviger in hun schoenen staan. Daarbij kunnen dieren een kind ook helpen zich veilig te voelen. Meerdere studies geven aan dat kinderen die een huisdier hebben weerbaarder zijn en meer zelfvertrouwen hebben. Ook niet onbelangrijk: een huisdier leert je over het leven. Zo’n beest gaat vroeg of laat namelijk ook dood en misschien bestaat er wel geen grotere levensles dan leren omgaan met verlies.

Lees ook: Tips om je huisdier te laten wennen aan de komst van een baby

Kostenpraatje

Mijn man is veel stelliger in geen hond (‘veel te veel werk’) dan ik in geen kat, dus áls de kinderen een huisdier krijgen, ben ik hun enige hoop. Wat kost dat eigenlijk, een huisdier, vraag ik me af. Je kunt een kat nemen met een stamboom (veel duurder) of zonder. Ik lees over een totale aanschaf van €350 en daarna nog zo’n €550 aan kosten per jaar. Ik besluit het asiel in de buurt te bellen, Stichting Dierentehuis Zeist en Omgeving. ‘Een volwassen kat in ons asiel kost € 95. Een kitten is goedkoper, maar daar komen nog wel kosten bij: € 130-140 voor de castratie of sterilisatie, inenten € 40-50 en dan nog chippen. Dan is er nog dagelijks levensonderhoud; een gemiddelde zak voer kost zo € 40. Dan zijn er nog de eventuele kosten voor de dierenarts.’ En de kattenbak, krabpaal, ontwormen. Best veel, vind ik.

Trots

Buiten zie ik mijn zoon hurken achter een plantenbak met zijn hand naar voren gestrekt. ‘Kom maar poesje, kom maar schatje,’ zegt hij. Mijn dochter verschuilt zich achter haar broer, en heel langzaam, voetje voor voetje iets dichterbij, strekt ze haar hand ook uit. De buurpoes voegt zich bij hen en een nanoseconde raakt ze hem aan, om vervolgens trots naar mij te rennen: ‘Mama, mama, ik heb de poes geaaid, goed hè?’ ‘Wil jij ook graag een poes?’ vraag ik. Het is even stil. Ja, dat wil ze wel. ‘Maar alleen een babypoes.’ Dat lijkt mij ook beter, qua wennen.

Net een baby

Over wennen gesproken: ik herinner me mijn ouders die midden in de nacht een paar keer naar beneden moesten wegens een huilende, alles onderplassende puppy. En ze gingen op puppycursus, wekenlang. Onze nieuwe viervoeter was eigenlijk net een baby. Hoe zit dat met een kat? Moet je die ook opvoeden en kan dat eigenlijk? Stichting Dierentehuis Zeist: ‘Een hond moet je opvoeden. Een kat kun je een heleboel aanleren. Of zien te voorkomen dat hij iets doet, vooral. Zo kun je je kitten bij de krabpaal neerzetten zodra die zijn nagels in je bank zet. En wil je niet dat je kat op het aanrecht loopt, zorg dan dat hij er ook nooit komt. Laat geen eten achter, dan vindt hij het niet interessant en heeft-ie er letterlijk niks te zoeken. De meeste katten zijn zo goed te sturen.’ Gelukkig, want een kat op het aanrecht? Zelf loop ik ook niet met mijn blote voeten over het aanrechtblad. Ook een kat in bed lijkt me niks, waarom weet ik niet precies. Onze honden lagen vroeger nooit bij ons in bed, die hadden hun eigen mand.

Geen getrek

‘Wat is nou een goede leeftijd voor mijn kinderen om een poes in huis te halen?’ vraag ik de mevrouw van het asiel. ‘Voor de kat: hoe jonger hij went aan kinderen, hoe beter. Vooral kleine kinderen graaien en grijpen nog weleens. Ze kunnen uit een reflex bijvoorbeeld denken: leuk, ik prik even in een oog. Of ze willen erop kruipen, even aan de staart of een oor trekken. Dat vinden honden en katten niet altijd leuk en voordat je het weet, krijgt een kind een pets. Altijd onder begeleiding aan elkaar voorstellen dus en je kind leren wat wel en niet kan. De ideale leeftijd om een kat of hond in huis te halen, bestaat niet. Dat hangt er echt van af hoe de ouders ermee omgaan. En hoe de kat of hond is. Sommige kittens laten zich door iedereen oppakken en andere willen dat niet. Het is toch een beetje afwachten wat je in huis haalt.’

Lees ook: Voordelen van een huisdier: zes moeders aan het woord

Niet enthousiast

Ik wil het graag een kans geven, een kat in ons gezin, maar mijn enthousiasme stijgt niet. Onze buren hebben twee poezen van inmiddels een half jaar. Ze mogen voor het eerst naar buiten bij ons op het hofje en als het heugelijke moment daar is, gaan we even kijken. Direct schiet er via de openstaande deur eentje bij ons naar binnen. Mijn zoon duikt in zijn dierenverzorgermodus en zegt: ‘Ah, kom maar poesje, ik help je wel.’ Mijn dochter druipt af. Ik loop naar de buurvrouw. ‘Je kat is hier hoor, kom je hem halen?’ Ik denk dat ze een beetje weerstand in mijn ogen ziet. ‘Weet je zeker dat je een poes wilt? Echt alleen doen als je het zelf ook heel leuk vindt hè?’ ‘Maar de kinderen willen het zo graag,’ zeg ik. Nu is dat niet altijd een maatstaf in onze opvoeding, maar ik gún het mijn zoon zo.

Ik vraag de buurvrouw over de eerste weken met haar kittens. Dan ontdek ik dat je poezen de eerste maanden van hun leven binnenhoudt, of in een afgeschermde tuin, om samen te wennen en tot ze ‘geholpen’ zijn. Een paar maanden binnen vind ik best een ding. Dan zie ik mijn zoon met de kat in zijn armen naar buiten komen. ‘Gered!’ lacht hij. ‘Helemaal zelf gedaan, goed hè?’

Testkat Sjaak

Niet lang daarna doen we huizenruil met een vriendin en we krijgen haar huispoes er gratis bij. Een goede testcase, lijkt me, vooral voor mezelf, want inmiddels is het thuis drie tegen één (ik ben het enige lid van Team Geen Poes). Misschien valt het in de praktijk wel heel erg mee, vind ik het zelfs gezellig, bedenk ik. Dat gekroel en geknor op mijn schoot. Misschien ligt mijn weerstand in mijn hondenverleden en moet ik het gewoon ervaren, dat gevoel van totale overgave van zo’n spinnend beest op je schoot.

Eerlijk: het valt me alles mee. Ik geef Sjaak keurig te eten, aai soms even over zijn bol, begroet hem op moederachtige wijze (‘Goedemorgen schatje’) en we hebben zelfs even samen een schootmoment. Maar om nu te zeggen: ja, wat leuk een kat! Nee, van negatief ben ik naar neutraal overgestapt. ‘Het kan niet anders dan dat je van de kat gaat houden als-ie er eenmaal is,’ zegt mijn man. En weer: mijn zoon is in de gloria. Zodra hij ’s ochtends zijn ogen opent, zegt hij: ‘Is Sjaak al wakker?’

Bob Pavert

Omdat het me toch meeviel, en ik ze alle drie het plezier van een huisdier gun, zeg ik als we weer thuis zijn: ‘Oké, jullie mogen een poes.’ De kinderen springen een gat in de lucht. Ze beginnen meteen namen te verzinnen. Bob en Pavert, komen ze op uit. Dus even later is Bob Pavert geboren. Na de namensessie besluiten we later een nestje te zoeken.

Dat ‘later’ is het nog steeds. Want op de een of andere manier – we zijn inmiddels vier maanden verder – beginnen ze er niet meer over. En ik ook niet. Zou het winnen van de zaak het einde van het vermaak betekenen? Zo niet, dan zal ik die Bob Pavert natuurlijk tot in zijn teentjes verwennen. Maar niet op het aanrecht en al helemaal niet in mijn bed.

Lees ook:

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Tekst: Femke Zijlema, beeld: Shutterstock

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.