Soms gaat het anders: 'Spullen voor de baby kocht ik niet. Wat als we met lege handen thuiskwamen?'

Vera (30) is twintig weken zwanger van de tweede als ze ineens veel vruchtwater verliest. Er blijkt een scheur in haar vliezen te zitten. Vanaf dat moment leeft ze van week tot week, want baby’s zijn pas levensvatbaar vanaf vierentwintig weken. 'Ik was doodsbang. Bij alles wat ik voelde, was ik bang dat de weeën begonnen.'

‘De kraamtijd, daar verheugde ik me het meest op. Ik zag het al helemaal voor me: ik met de baby in bed, omringd door visite en de kraamverzorgster. De vorige keer heb ik dat allemaal gemist, want bij Senn (nu 2,5 jaar) kreeg ik na zevenendertig weken een zwangerschapsvergiftiging. Na zijn geboorte lag hij anderhalve week in het ziekenhuis en in de vier maanden die volgden, heeft hij alleen maar gehuild omdat hij zo’n last had van zijn darmpjes. Ik had er het volste vertrouwen in dat het nu beter en makkelijker zou gaan en keek er naar uit lekker thuis te zijn, die eerste weken.

Advertentie

Opgelucht

Het liep anders. Na een roerige start van mijn zwangerschap – rond de tiende week had ik veel bloedingen – bleek onze zoon bij de twintigwekenecho helemaal gezond. Wat wás ik opgelucht. Diezelfde dag kocht ik het eerste rompertje en wat zwangerschapskleren. Eindelijk kon ik gaan genieten. Die onbezorgdheid duurde precies drie dagen. Ik was aan het werk toen ik voelde dat ik vocht verloor. Ik was bang dat het weer bloed was, maar het bleek helder vocht. In eerste instantie bleef ik rustig: ik dacht dat het misschien afscheiding was en was allang blij dat ik geen bloed zag. Toen het vochtverlies na een uur heviger werd, werd ik zenuwachtig. Ik ging langs bij de verloskundige, die me doorstuurde naar het ziekenhuis.

Vruchtwater verliezen

Uit een test daar bleek het vocht geen vruchtwater te zijn, dus mocht ik weer gaan. Maar thuis in de badkamer stróómde het echt langs mijn benen. “We gaan nu terug!” riep mijn man. In het ziekenhuis werd ik door een andere arts opnieuw onderzocht. Het was wél vruchtwater. Er zat waarschijnlijk een scheur in mijn vliezen en de kans was groot dat ik al snel zou bevallen. Ons kind was pas twintig weken en zou dat niet overleven, want baby’s zijn pas levensvatbaar vanaf vierentwintig weken. Er schoot van alles door mijn hoofd: moest ik straks echt gaan bevallen van een kind dat meteen zou overlijden? En wat moesten we in hemelsnaam tegen Senn zeggen? Hij wist pas net dat hij een broertje zou krijgen. Ik was doodsbang. Bij alles wat ik voelde, was ik bang dat de weeën begonnen.

Van week tot week

De bevalling bleef uit en de volgende dag werd ik naar huis gestuurd. Omdat ik nog geen vierentwintig weken zwanger was, konden de artsen niks voor me doen. Ze vertelden dat de kans dat het alsnog mis zou gaan, groot was. Ik moest drie keer per dag mijn temperatuur meten en op mijn hygiëne letten, want elke infectie kon fataal zijn. Met die wetenschap zat ik vervolgens thuis. Ik leefde van week tot week, de uren kropen voorbij.

Afleiding

Hoewel vruchtwater continu wordt aangemaakt, bleef ik vocht verliezen. De artsen konden daar niets aan doen: het risico dat ze mijn vliezen tijdens een onderzoek nog verder zouden scheuren, was te groot. Als we die vierentwintig weken maar halen, dacht ik steeds. Gelukkig had ik door Senn afleiding, we deden samen spelletjes of keken een film. Tegelijkertijd voelde ik me schuldig naar hem toe. In mijn hoofd was ik alleen maar met de baby bezig.

Opgenomen

Toen de vierentwintigste week in zicht kwam, vertelden de artsen dat we er nog lang niet waren. Veel premature baby’s overlijden alsnog of komen zwaar gehandicapt ter wereld: ons kind kon blind of doof zijn of zou misschien nooit kunnen lopen. Daarbij moest ik vanaf de vierentwintigste week worden opgenomen. De baby lag dwars en als mijn vliezen nog verder zouden scheuren, kon de navelstreng uitzakken en de bloedtoevoer naar de baby stoppen. In dat geval was een spoedkeizersnee nodig. Daar schrok ik van: het idee dat ik Senn misschien wel weken moest missen, vond ik vreselijk.

Loodzware beslissing

Ook moesten we een onmenselijke keuze maken. We moesten bepalen of we een ‘actief beleid’ wilden als ons kind werd geboren. Met andere woorden: je kiest of de artsen je kind na de geboorte mogen behandelen of niet. Die keuze heb je tot zesentwintig weken, daarna worden premature baby’s sowieso behandeld. Een loodzware beslissing, waar we dagenlang over praatten en om huilden. Aan de ene kant maakten we ons zorgen over de kwaliteit van leven van onze zoon, aan de andere kant konden we het idee dat wij hadden besloten dat hij niet mocht leven, niet verdragen. We kozen dan ook voor een actief beleid.

Sterk zijn

De dag dat ik werd opgenomen en afscheid moest nemen van Senn, was heftig: hij bleef maar roepen dat ik bij hem moest blijven. Natuurlijk nam mijn man hem elke dag mee, maar het voelde alsof we een bezoekregeling hadden. Er waren ook weken dat hij me niet wilde zien of niet alleen met me wilde zijn, dan schreeuwde hij om zijn vader. Dan hield ik me sterk, maar moest er daarna wel een stevig potje om janken.

Knuffelkonijn

Elke week was er één, maar de artsen konden nog steeds niets zeggen over de gezondheid van ons kind. Doordat-ie weinig vruchtwater had, waren het natuurlijk geen ‘normale’ weken en was de kans op longschade groot. Hij had ook minder bewegingsruimte, wat invloed kon hebben op zijn gewrichten. Spullen voor de baby kocht ik niet. Mijn man wilde de babykamer afmaken, ik niet. Wat als we met lege handen thuiskwamen? Dat kon ik niet aan. Wel had ik een knuffelkonijn gekocht, met een gedicht en een kaarsje. Mocht onze zoon overlijden, dan kon die knuffel mee in zijn kistje. Dat klinkt nu heftig, maar op dat moment bood het me een zekere troost.

Minimensje

Na precies tweeëndertig weken kreeg ik ’s nachts spontaan weeën. Omdat de baby in stuit lag en er nauwelijks vruchtwater was, kreeg ik een keizersnee. Riff werd na zijn geboorte meteen bij me weggehaald. Ik had geen idee of hij goed ademde, hoorde alleen een kreuntje. Dat stelde me gerust: hij maakte geluid, dat was in ieder geval iets. Achteraf hoorde ik pas dat de artsen hem een uur lang handmatig hebben beademd. Een van zijn longen was heel stug en moest worden opengeklapt. Gelukkig lukte dat. Vier uur na de bevalling kon ik hem pas echt goed bekijken. Daar lag hij, aan allerlei toeters en bellen in een couveuse, een minimensje van nog geen achttienhonderd gram. Ik kon hem niet oppakken of knuffelen, alleen zijn handje vasthouden. Heel verdrietig.

Vasthouden

Het was onduidelijk of Riff het ging redden, zijn longen hadden het heel zwaar. Die onzekerheid vrat aan me. Het wrange was dat ik zelf op de kraamafdeling lag, tussen allemaal blije moeders en gezonde baby’s. In die periode bevielen ook nog eens twee vriendinnen op dezelfde afdeling. Vaak voelde ik me machteloos, andere keren was ik gewoon jaloers. Waarom ging het bij anderen wel goed? Pas na een week mocht ik Riff voor het eerst vasthouden. Een hoop gedoe met al die slangen, maar het voelde zó fijn.

Zuurstof

Na een paar weken ging het voor het eerst beter. Hij was uit de gevarenzone, maar had nog wel hulp nodig bij het ademen. Het duurde uiteindelijk tien weken voor hij mee naar huis mocht. Een feestdag, maar toch waren we ook onzeker: thuis hadden we geen machine die zijn ademhaling in de gaten hield. De eerste nacht ging het al mis: Riff werd suf, verkouden en dronk steeds minder. Hij had zuurstof nodig en moest de volgende ochtend meteen naar het ziekenhuis. Een flinke domper. Inmiddels hebben we ons laten scholen in het toedienen van zuurstof, zodat we niet bij iedere kik naar het ziekenhuis hoeven. Dat geeft rust.

Zo gelukkig

Riff is nu acht maanden en naar omstandigheden gaat het goed met hem. Hij heeft een chronische longaandoening, waardoor hij vooral in zijn eerste levensjaren gevoelig is voor virussen, van een verkoudheid kan hij al heel ziek worden. Het is afwachten hoe het later met zijn energielevel zal gaan. Toch kan ik het soms nauwelijks geloven als ik zie hoe goed hij het doet. Nu de rust terugkeert, merk ik dat alle spanning er uitkomt. Ik ben emotioneel, kan zomaar in tranen uitbarsten. Ook zie ik nog veel beelden voor me. Van toen ik werd opgenomen en Senn moest achterlaten, maar ook van Riff aan al die slangetjes. Inmiddels heb ik hulp gezocht bij een psycholoog en start ik met een speciale therapie. Ik zou graag eens een normale zwangerschap en bevalling willen meemaken, maar er komt geen derde. De artsen weten niet hoe het heeft kunnen gebeuren dat mijn zwangerschappen zo zijn verlopen en de kans op herhaling is klein, maar bestaat wel. Het is dus niet anders, maar ik vind het superlastig. Vooral omdat de babytijd voorbij vliegt: steeds als Riff een nieuwe kledingmaat nodig heeft, moet ik slikken. Tegelijkertijd mag ik in mijn handen knijpen als ik naar mijn zoons kijk. We hebben veel pech gehad, maar ook ontzettend veel geluk.’