bevallingsverhaal
door

Bevallingsverhaal: 'Puffend liep ik over de vluchtstrook'

Joyce was 40 weken en 6 dagen zwanger toen ze wakker werd van de weeën. Snel stapt ze met haar man en kinderen in de auto maar onderweg naar het ziekenhuis belandde ze in een file... ‘Oef, weer een wee. Ik stap uit de auto om 'm op te vangen en terwijl ik me naar links draai, kijk ik recht in de ogen van een automobilist die me verbijsterd aankijkt.’

Joyce had al drie meiden: Myq (16), Maic (10) en Moy (2). Dus die bevalling, die kende ze nu wel. Dacht ze, want dochter Mil diende zich aan terwijl ze in de file op de snelweg stond.

Advertentie

‘Vier meiden: dat is precies zo gezellig als het klinkt. In huis is het altijd een drukte van jewelste en aan tafel wordt er voluit gekletst. De oudsten kruipen ’s nachts knus bij elkaar in bed en zijn superlief voor hun jongere zusjes. Ze gillen enthousiast wanneer Mil zich omdraait op haar boxkleed. Toen we de meiden vertelden dat ik voor de vierde keer zwanger was, sprong iedereen een gat in de lucht. We zijn een hecht gezin. Myq en Maic beschilderden mijn buik en maakten een gipsafdruk.

Ook deden we een onderwater-zwangerschapsfotoshoot in ons zwembad, achter in de tuin. Ik kocht zo’n 3D-echoapparaat en elke avond zaten we met z’n allen op de bank naar de baby te kijken. Er ging geen afspraak bij de verloskundige voorbij of de meisjes waren erbij. Onze oudste was twee jaar geleden bij de bevalling van Moy en vond dat fantastisch. Daarom was Maic deze keer nieuwsgierig. “Je mag er ook bij zijn,” zei ik tegen haar. “Desnoods vragen we opa als back-up en kun je altijd nog weggaan.” Dat leek haar wel wat. Ik liet haar foto’s zien van mijn vorige bevallingen en we keken naar bevalprogramma’s op tv. “Zoals die vrouw gilt, zul je mij niet horen schreeuwen hoor,” stelde ik haar gerust. Ik wist inmiddels dat ik, tussen alle weeën door, heel relaxed kon zijn.

Dikke file

Ik was veertig weken en zes dagen zwanger toen alles begon. Iedereen lag nog te slapen, het was vroeg in de ochtend. Handig, dacht ik. Dan hoeven we Myq en Maic niet eerst van school te halen en kunnen we meteen door naar het ziekenhuis. Ik had te veel vruchtwater, wat tot complicaties kan leiden, dus ik was inmiddels medisch. Mijn bevallingen waren altijd lang en traag geweest, maar het viel me op dat de weeën nu wel erg heftig waren en vaak kwamen.

Ik maakte Patrick wakker en belde mijn ouders. Mijn vader zou Moy meenemen en mijn moeder ging mee naar het ziekenhuis. “Doe rustig aan,” zei ik. Maar aan mijn stem hoorden ze dat ik al veel verder was dan ik zelf wilde toegeven. Eenmaal compleet stonden Patrick en mijn moeder al met hun jas aan. “Ik wil me nog wassen en aankleden,” sputterde ik tegen. “Mijn tanden poetsen…” Ondertussen stond ik kromgebogen weeën weg te puffen. “Ben je gek,” zei mijn moeder. “Jij gaat elk moment bevallen!”

Ze hadden me nog niet in de auto gehesen of ik wilde er weer uit. “Stop!” riep ik. “We moeten nog een foto maken van mijn dikke buik bij de voordeur.” Met tegenzin liep iedereen mee en vijf minuten later reden we dan eindelijk de straat uit. Patrick en ik voorin, mijn moeder, Myq en Maic achterin. Toen we op de provinciale weg kwamen, zagen we al dat het druk was en voor het stoplicht bij de A2 stond het hélemaal vast. “Nou, dat wordt bevallen naast een hectometerpaal,” grapte ik. Op mijn voorhoofd hield ik een nat washandje dat ik bij elke wee op mijn gezicht legde. “Mam,” zei Myq, “de weeën komen nu wel érg snel op elkaar.” Ze had een timer op haar telefoon waarmee ze alles in de gaten hield. “Je hoeft de baby alleen maar op te vangen. De rest doe ik,” lachte ik. Maar aan de gezichten van Patrick en mijn moeder zag ik dat ze het allesbehalve grappig vonden.

Over de vluchtstrook

Het kan altijd erger, is mijn levensmotto. Misschien dat ik daarom, ondanks de pijn en chaos, zo ontspannen was. Of het waren de hormonen. “Daar!” riep mijn moeder. “Politie!” Op het verdrijvingsvlak na het stoplicht stond inderdaad een politieauto geparkeerd. “Die moeten we hebben,” zei Patrick en hij zette onze auto achter die van hen. Mijn moeder legde uit wat er aan de hand was en de agent vroeg: “Om de hoeveel tijd komen de weeën, mevrouw?” “Om de vijf minuten,” zei ik, maar Myq riep: “Dat is niet waar! Ze komen om de twee!”

Dat was voor de politie genoeg reden om ons te begeleiden over de vluchtstrook. We reden met hoge snelheid achter ze aan, terwijl we honderden stilstaande auto’s passeerden. Vooral Myq vond het hilarisch. Ze maakte een filmpje waarop je mij voorin de weeën ziet wegpuffen, met op de voorgrond de politieauto. Ik stak tussen de krampen door mijn duim in de lucht. Maar na tien minuten was het feest voorbij. “We mogen u niet verder brengen, want dit is het einde van ons rayon,” zei de agent toen we weer stilstonden.

Het verkeer naast ons stond nog steeds vast. Ik wilde de man bedanken, maar werd weer overvallen door een wee. “Ik vertrouw dit niet,” zei hij, terwijl zijn collega het ziekenhuis belde. Niet lang daarna kwam er een ambulance aanrijden. “Kunt u lopen?” vroeg de ambulancebroeder. En zo liep ik in een zuurstokroze pyjama met hysterische pompon-pantoffels puffend over de vluchtstrook naar de ambulance. Het washandje kleefde nog aan mijn voorhoofd en toen ik me naar links draaide, keek ik recht in de ogen van een automobilist die me verbijsterd aankeek. Ondertussen stapte ik in een grote plas met modder. Met klotsende pantoffels klom ik in de ambulance.

Leestip: Vrouw bevalt in de auto en brengt haar baby in de vliezen naar het ziekenhuis

Die broek blijft aan!

Patrick, mijn moeder en Maic sloten aan in de file. Myq mocht voor in de ambulance zitten. De ambulancebroeders wilden dat ik voor de veiligheid op mijn rug ging liggen, maar dat weigerde ik, omdat de weeën op die manier niet te doen waren. Uiteindelijk moesten ze me vastbinden, maar ik worstelde me in zijligging. Dat zagen ze maar door de vingers. Ik kreeg een infuus en ze stelden veel vragen om te kijken hoe ver ik al was. Intussen stonden we nog steeds stil. “Ik wil wel in het ziekenhuis bevallen!” riep ik. Het bleek dat de ambulancebroeders nog nooit een bevalling hadden gedaan en het allemaal te snel vonden gaan. Daarom belden ze nóg een ambulance.

Als de bevalling dan onderweg zou beginnen, waren ze in elk geval met z’n vieren. Wat ik niet wist, is dat mijn vader op dat moment langsreed over de snelweg. Hij was op weg naar het ziekenhuis met Moy en zag mij tot zijn verbazing in een stilstaande ambulance liggen. Ongerust belde hij mijn moeder, die al bij het ziekenhuis was aangekomen. Eindelijk arriveerde de tweede ambulance en kwam de broeder met ervaring naast mij zitten. “Nou, Joyce,” zei hij. “Je doet het hartstikke goed. Het loopt allemaal wat anders dan anders.”

We scheurden met honderdtachtig kilometer over de vluchtstrook. Toen begonnen de persweeën. “Oké Joyce,” zei de ambulancebroeder. “We gaan nu je broek uittrekken.” – “Die broek blijft aan!” schreeuwde ik. – “De baby komt er pas uit in het ziekenhuis.” Op de een of andere manier was het voor mij geen optie om in die ambulance te bevallen. Daarnaast wilde ik niet zonder broek het ziekenhuis in gereden worden. Het was allemaal al gênant genoeg.

Volle bak

Vraag me niet hoe het kan, maar we haalden toch het ziekenhuis. De deur van de ambulance werd opengetrokken en daar stonden zes mannen in oranje hesjes. Ik werd een overvolle lift ingereden. “Welkom Joyce,” zei iemand. “Ja, bedankt,” mompelde ik en uit schaamte trok ik het washandje over mijn gezicht. Al die mensen waren hier om mij te helpen. In de verloskamer stonden Patrick, mijn moeder, Maic, mijn zus, want die had ik ook uitgenodigd, twee verpleegkundigen en een gynaecoloog. “Heb je een spannende rit gehad?” vroeg de laatste.

Patrick trok mijn drijfnatte pantoffels uit en ik kreeg een morfinepompje omdat de weeën waren gestopt, maar ik kon hem na twee keer drukken alweer inleveren, want ik moest gaan persen. Patrick hield mijn hand vast, Maic ververste het washandje en Myq hield mijn linkerbeen vast. Daar kwam het hoofdje, de schouders en: woesj! Mil schoot naar buiten. Arme Myq kreeg een sloot vruchtwater over zich heen. Ze was kletsnat. “Bedankt, mam!” lachte ze.

Iedereen huilde en we waren stiekem best opgelucht. De bevalling had in totaal nog geen drieënhalf uur geduurd. Mil werd op mijn borst gelegd. Ze was heerlijk warm en ik voelde haar hart krachtig kloppen. “Wat ben je toch relaxed, Joyce,” zei iedereen vol bewondering. “Allemaal dankzij jullie,” antwoordde ik. En dat is ook echt zo. Zonder mijn familie was het nooit gelukt om zo rustig te blijven.’

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Tekst: Albertine Otten

Lees ook: De 15 beste bevallingstips van verloskundigen

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.