soms-gaat-het-anders
door

Soms gaat het anders: ‘Ik blijf piekeren waar het is misgegaan'

Emilie (35) verwachtte veel van haar moeder als oma. Maar nu haar zoons Lester (3) en Palmer (2) er zijn, laat ze het volledig afweten. Naar de reden kan Emilie alleen maar gissen. 'Ik vind het verschrikkelijk om zo van mijn moeder te vervreemden. Maar het ergste vind ik het nog voor mijn kinderen. Ik gun ze een leuke, betrokken oma.'

‘Mijn man Mickey en ik hadden er een tijdje over nagedacht en toen mijn moeder bij ons op visite was, vroeg ik haar enthousiast: “Mam, vind je het leuk om met ons en de jongens op reis te gaan naar Zuid-Afrika? Wij zouden het fantastisch vinden om samen te gaan.” Het bleef stil. En alsof de vraag nooit was gesteld, begon ze snel over iets anders. Een paar weken later meldde mijn moeder ineens enthousiast: “Ik ga ook naar Afrika! Met Jet.” Het voelde als een pijnlijke afwijzing. Ze wilde niet met ons op vakantie, maar wel met een vriendin! En alsof ze het erom deed, zou ze weer naar Nederland vliegen op de dag dat wij zouden aankomen. Achteraf verbaast het me dat ik zo teleurgesteld was, dat het zo’n pijn deed. Het was immers al haar zoveelste vreemde actie.

Advertentie

‘Deed míjn moeder dat maar’

Mijn vriendinnen waren vroeger weleens jaloers op de band die ik met mijn moeder had. We waren elkaars gelijken en deden veel leuke dingen samen. Wat ik met mijn vriendinnen besprak, besprak ik óók met haar. Ze kende al mijn vriendinnen en toonde in iedereen interesse. We raakten nooit uitgepraat. Zelfs in mijn puberteit waren we close. Op diezelfde vriendinnen ben ik nu jaloers. Want de band met hun moeder is er sinds ze volwassen zijn alleen maar beter op geworden. Hun moeders zijn betrokken en passen minstens een dag per week op de kleinkinderen. Mijn moeder moet daar niet aan denken. Een tijdje terug las ik een column van Aaf Brandt Corstius over haar 76-jarige schoonmoeder die nog volop werkt, maar haar heilige woensdag altijd, maar dan ook echt áltijd reserveert voor haar kleinkinderen. De tranen rolden over mijn wangen. Deed míjn moeder dat maar… Gelukkig kan ik hier goed met Mickey over praten. Hij weet ook hoe mijn moeder eerst was en hoe anders ze zich nu gedraagt.

Eerst nog een trotse oma

Nog geen vier jaar geleden was het allemaal nog zo anders. Mijn moeder zat – op van de zenuwen en nieuwsgierigheid – in ons huis te wachten toen mijn bevalling in het ziekenhuis werd opgewekt, zodat ze sneller bij ons kon zijn als haar eerste kleinkind geboren zou worden. Zo ontzettend lief vond ik dat. De eerste weken na Lesters geboorte was ze niet bij hem weg te slaan. Ze adoreerde hem. Ze was zelfs zo verliefd op hem dat ze ander kraambezoek niet eens begroette. Ze had alleen oog voor haar eerste kleinkind. Een vaste oppasdag was geen optie, omdat ze fulltime werkte. Maar ze deed moeite om zo veel mogelijk tijd met Lester door te brengen en, zo hoorde ik om me heen, liet altijd foto’s van Lester zien aan iedereen die ze tegenkwam. Een trotse oma, dat was ze. Toen ongeveer anderhalf jaar later onze tweede zoon Palmer werd geboren, leek haar interesse minder. Met hem was ze lang niet zo knuffelig. Ook kwam ze minder vaak langs. Ik hoop van harte dat dat niks te maken heeft met voorkeur, maar alles met haar ziekenhuisopname in die tijd. Na veel onderzoeken bleek ze de ziekte van Pfeiffer te hebben. Ze was erg verzwakt en heeft er lang over gedaan weer op te krabbelen. En toen ze net weer was aangesterkt, had haar vader, mijn opa, veel zorg nodig. Ik nam aan dat ze al haar aandacht aan hem wilde besteden. Ik probeerde dat te begrijpen, maar het stak ook. Ik was net bevallen, had het druk met twee kleine kinderen en van de ene op de andere dag gaf ze amper meer thuis. Het voelde alsof ze me in de steek liet.

‘Is ze gek op de jongens? Ze zegt van wel’

Bij mijn moeder thuis komen we zo goed als nooit. Alleen als we onszelf uitnodigen, want zij zal het niet doen. En bij ons komt ze ook amper. Áls ze al langskomt, is dat omdat ik haar nadrukkelijk heb uitgenodigd. En dan geeft ze me ook nog geregeld het gevoel dat ik haar laat opdraven. Dat het eigenlijk niet uitkomt, maar dat ze het voor mij doet. Zodra de jongens in bed liggen, weet ze niet hoe snel ze weer naar huis moet, alsof ze haar tijd heeft uitgezeten. Ik zou zo graag weer eens met haar kletsen zoals we vroeger deden. Is ze gek op de jongens? Ze zegt van wel. Maar uit zichzelf zal ze nooit iets met ze ondernemen. Een boekje lezen, een spelletje doen: het komt niet in haar op. De jongens spelen met elkaar, ik sta te koken en mijn moeder zit op de bank. Zo zien haar bezoekjes eruit. Omdat mijn zoontjes nooit een warme reactie van haar krijgen, benaderen ze haar ook steeds minder. Dat verschil is vooral goed te zien als mijn moeder tegelijk met mijn schoonouders op bezoek is. Op hen rennen Lester en Palmer met luid gejuich af, mijn moeder zeggen ze onverschillig gedag. Laatst zou mijn moeder eindelijk weer eens langskomen. Ik vroeg aan Lester wat hij graag wilde doen met oma. Op alles wat hij bedacht, hoorde ik mezelf verbitterd antwoorden: “Dat vindt oma tóch niet leuk.” Tuurlijk, de jongens zijn druk en kosten energie. Maar is om tien uur ’s ochtends afspreken voor de sinterklaasintocht nou echt te veel gevraagd? Mijn schoonouders staan regelmatig om acht uur ’s ochtends op de stoep om op te passen. En die wonen honderdvijftig kilometer verderop!

Net mijn oma

Het gekke is: vroeger was mijn eigen oma – mijn moeders moeder, dus – net zo ongezellig. Die zat alleen maar sigaren rokend in haar luie stoel bij de gaskachel te klagen over van alles en nog wat. Mijn moeder zei dan sussend tegen mij dat oma vroeger echt een lieve mama was die met haar zes kinderen over straat huppelde. Straks moet ik hetzelfde zeggen tegen mijn kinderen. Ze is namelijk al aardig op weg het evenbeeld van haar moeder te worden. Natuurlijk heb ik al geprobeerd mijn moeder hierop aan te spreken. Direct, maar niet beledigend. Eerlijk, maar niet kwetsend. Maar dan begint ze snel over iets anders. Ik heb zelfs een keer mijn angst uitgesproken dat ze net zo’n ongezellig mens wordt als mijn oma. Mijn moeder zei niets terug, want als ze niet weet hoe ze moet reageren, zegt ze niks. Pasgeleden deed ik weer eens een poging. “Mam,” zei ik, “ik vind het zo jammer dat al het initiatief van mij moet komen. Ik zou het leuk vinden als jij óns eens uitnodigde.” Haar reactie was: “Je hoeft mijn leven niet te regisseren.”

‘Drong mijn moeder zich maar op’

Ik blijf piekeren waar het is misgegaan. Zou ze het moeilijk vinden dat ze me nu moet delen met mijn man en kinderen? Maar dan zou ze toch juist blij moeten zijn met elk initiatief van mijn kant? Of zou mijn gezinsleven haar te veel doen denken aan de tijd dat zij in haar uppie zo hard moest buffelen? Want ze wóónde dan wel samen met mijn vader, met hem samen léven deed ze niet. Hij was altijd aan het werk of bezig met zijn hobby. Alle zorg kwam op haar neer. Nu ik zelf kinderen heb, begrijp ik maar al te goed hoe zwaar dat moet zijn geweest. Maar dat hoeft toch geen reden te zijn om ons buiten te sluiten? Ik vind het verschrikkelijk om zo van mijn moeder te vervreemden. Maar het ergste vind ik het nog voor mijn kinderen. Ik gun ze een leuke, betrokken oma. Misschien moet ik er maar aan wennen dat het nooit meer zo wordt als vroeger. Maar moeilijk is het wel. Toen ik afgelopen weekend op een rommelmarkt stond en een jonge moeder een rompertje met de tekst “Stop bugging me” van me kocht, moest ik even slikken. Ik hoorde haar zeggen dat ze haar kind die romper aan wilde trekken als haar moeder langs zou komen. Want die is niet bij haar kleinkind weg te slaan… Toen dacht ik: drong mijn moeder zich maar op.’