Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 

De peuter van Karin heeft een TOS. 'Niemand begreep hem, ook wij niet'.

‘Ach, dat komt vanzelf,’ zeggen de huisarts en het consultatiebureau wanneer Karin (30) haar zorgen uit over haar peuter Jesse die nog geen woord zegt. Een jaar en veel onderzoeken later blijkt Jesse een taalontwikkelingsstoornis (TOS) te hebben.

Onverstaanbaar

‘Jesse is inmiddels bijna vier jaar oud. Een vrolijk mannetje dat binnen het gezin steeds meer zijn stem laat horen. Dat is een heel verschil met een jaar geleden. Toen kon hij nog amper praten en de paar woorden die hij zei kwamen er onverstaanbaar uit. Niemand begreep hem. Ook wij niet.

Advertentie

Teken van onmacht

Uit frustratie dat hij zich niet kon uiten, had hij vaak driftbuien. Of hij sloeg zomaar een van zijn broers. Eerst konden we dat niet plaatsen, nu weten we dat het een teken was van onmacht. Sinds hij de juiste begeleiding krijgt, is hij met sprongen vooruitgegaan. Hij praat eindelijk. “Met oemand spelen”, “papa thuis” en “eten koken”. Het zijn nog maar korte zinnetjes, maar wij begrijpen ze.

‘Jij vertellen’

We kunnen aan alles merken dat zijn zelfvertrouwen enorm is gegroeid. Al kijkt hij ons nog weleens smekend aan als hij iets aan opa of oma wil vertellen en er niet uit komt. “Jij vertellen,” zegt hij dan. Hij heeft zelf goed door dat hij minder goed kan praten dan andere kinderen van zijn leeftijd. Dat vind ik sneu.

Vriendjes

Gelukkig heeft hij wel aansluiting met andere kinderen. Hij heeft twee vriendjes in de straat, die zijn ongeveer even oud. Ondanks dat hij minder zegt dan zij, spelen ze wel samen. Voor zover ze dat doen op deze leeftijd dan. Soms spelen ze ook gewoon een tijdje naast elkaar, zoals peuters doen. Maar ze begrijpen elkaar en dat is prachtig om te zien.

Geen driftbuien meer

Jesse zit een stuk beter in zijn vel dan een jaar terug. Hij slaat niet meer en heeft bijna geen driftbuien meer. Het scheelt een hoop dat hij nu kan uitleggen wat hij bedoelt.

De Taaltrein

Zie je nu wel, dacht ik, toen Jesse geschikt bleek te zijn voor De Taaltrein, speciaal peuteronderwijs voor kinderen met een taal-spraakachterstand. Het advies was zelfs om hem in de vierdaagse groep te plaatsen, omdat hij toch wel ernstig achterliep. Het was fijn dat de zorgen die we over Jesse hadden, werden bevestigd. Maar het maakte me ook heel verdrietig. Ik heb zo moeten vechten voor doorverwijzingen.

Tip: Dit boek biedt fijne en duidelijke informatie over de rol van een taalontwikkelingsstoornis in het dagelijks leven, per levensfase.

Eigen tempo

Het consultatiebureau, de huisarts, de rest van onze omgeving: iedereen wuifde mijn gevoel weg. Altijd maar: “Ach, maak je niet druk” en “Ieder kind heeft zijn eigen tempo”. Ik heb echt moeten doorzetten om deze diagnose boven tafel te krijgen. Ik wíst gewoon dat er iets niet goed was, maar kon de vinger er niet op leggen wat het dan moest zijn. Jesse begreep namelijk alles. Als we zeiden: “We gaan naar de winkel,” liep hij naar de kapstok om zijn jas aan te doen. Ik zag dat hij me begreep, maar dat het hem niet lukte om iets terug te zeggen.

Boze buien

Het gewoon op z’n beloop laten, was geen optie. We hadden af en toe een verschrikkelijk boos kereltje in huis dat niet wist wat hij met zichzelf aan moest. Heel begrijpelijk, maar wij wisten het ook niet. Door medici werden we niet serieus genomen. We wisten op den duur echt niet meer waar we het moesten zoeken. Natuurlijk heeft ieder kind zijn eigen tempo, maar het was voor mij zo duidelijk dat Jesse’s spraak niet vanzelf op gang zou komen. Ik heb nog twee oudere kinderen, ik had genoeg vergelijkingsmateriaal.

Vuist op tafel

Toen we voor de zoveelste keer bij de huisarts zaten, heb ik met mijn vuist op tafel geslagen. “En nu stuur je ons maar eens door.” Ik werd er niet aardiger op, nee. Maar op een gegeven moment was ik het strijden zo moe. Jesse werd doorgestuurd naar de kno-arts. Er bleek vocht achter zijn trommelvliezen te zitten. Hierdoor hoorde hij waarschijnlijk vervormd, alsof je onder water zwemt.

Buisjes

De kno-arts stelde buisjes voor. Ik sprak mijn twijfel uit, want Jesse begreep altijd alles. Ik kon me niet voorstellen dat zijn gehoor niet goed was. Maar volgens de kno-arts kon het best zijn dat hij de vervormde klanken tot iets begrijpelijks kon brouwen in zijn hoofd, maar moeite had om dit te imiteren. Het klonk uiteindelijk logisch en het was duidelijk dat het vocht er zat. Toen het er na een aantal maanden nog zat, heeft hij buisjes gekregen en is zijn neusamandel verwijderd.

Lees ook: Mijn kind moet buisjes

Drie nieuwe woorden

We hadden al onze hoop hierop gevestigd. En stom toevallig zei hij het weekend na de operatie drie nieuwe woorden. Hè hè, dachten we. Maar daarna bleef zijn woordenschat weer heel lang hetzelfde. Behalve dat hij sindsdien minder snurkt ’s nachts – dat deed hij nogal – hebben de buisjes niets uitgehaald.

Onderzoek na onderzoek

Uiteindelijk is Jesse, toen hij drie was, getest bij een audiologisch centrum. Hij moest gehoorspelletjes doen, aangepast op zijn leeftijd. Uit de onderzoeken daar kwam geen oorzaak voor zijn achterstand naar voren. Zijn gehoor was goed. Ik had ook niet anders verwacht. Vervolgens heeft hij een neurologisch onderzoek in het ziekenhuis gehad. Weer niks. Maar toen ik via een tip van iemand bij De Taaltrein terechtkwam en mijn verhaal deed, kreeg ik direct te horen: ‘Jesse lijkt me precies een jongen die hier thuishoort.’

Een TOS

Jesse blijkt een TOS te hebben, een taalontwikkelingsstoornis. Het is een pak van mijn hart dat hij nu zulke goede begeleiding heeft. Hij krijgt twee keer per week logopedie. Bij bezoeken aan de logopedist worden de woorden, door in Jesses wangen te knijpen, soms letterlijk uit zijn mond gedrukt. Zijn mond- en kaakspieren zijn nu beter getraind, hij krijgt bijsturing in de articulatie.

Lees ook: Dit doet een logopedist

Spelenderwijs stimuleren

Online zetten ze filmpjes van hem, zodat wij thuis ook kunnen zien wat hij daar allemaal leert. We proberen hem zo veel mogelijk voor te lezen, liedjes met hem te zingen en spelletjes met hem te spelen. Gelukkig vindt hij dat allemaal leuk om te doen en zo pikt hij spelenderwijs een hoop op.

Wijzen in de bakfiets

Daarnaast benoemen we alles wat we zien en doen; in de bakfiets klets en wijs ik erop los. Ik merk dat hij dat overneemt. De articulatie is nog niet je-van-het, maar hij waagt zich soms zelfs aan echt moeilijke woorden. Vroeger ging hij die uit de weg. Soms raakt hij geïrriteerd als we hem niet begrijpen, maar veel vaker neemt hij nu de tijd om het woord te herhalen en op andere manieren zijn verhaal duidelijk over te brengen.

Structuur

Wat de oorzaak is van de TOS, weten we niet. Sommige kinderen zijn dyslectisch, Jesse heeft dit. Wat we nu wel doorhebben, is dat Jesse het beste gedijt bij duidelijkheid en structuur. Tijdens de lockdown ging zijn woordenschat ineens met sprongen vooruit. Ik ben daarna minder gaan werken om zo veel mogelijk thuis te kunnen zijn. Dat geeft hem rust.

Voorbereiden

We moeten Jesse op alles uitvoerig voorbereiden. Als we weggaan, vertellen we duidelijk waar we naartoe gaan en wat we daar gaan doen. Anders kan hij helemaal van slag raken. Toen hij eens een onderzoek in het ziekenhuis moest ondergaan, dacht ik: hoe ga ik hem dat uitleggen? Gelukkig vond ik op internet pictogrammen die het voor hem beeldend maakten. Hij begreep het. Volgende week gaan we een weekje weg. Ik heb hem een filmpje laten zien van het bungalowpark zodat hij weet wat hem te wachten staat. Zo overvalt het hem minder.

Toch een zorg

Hoe blij we ook zijn met zijn vooruitgang, Jesse blijft een zorg. We hebben drie kinderen, maar hem probeer ik toch net wat meer te beschermen. Hoewel zijn taalbegrip in orde is, merk ik dat ik hem snel onderschat. Maar hij is ontzettend bij de pinken en ik weet ergens wel dat ik hem meer los kan laten dan ik nu doe. De oudste is zeven en heeft goed door dat er iets met zijn broertje aan de hand is. “Jesse is anders,” zegt hij. “Ja, dat is zo,” zeggen wij dan. “Jesse kan het allemaal niet goed vertellen.” We zijn daar open over.

Tranen

Wat ik frustrerend vind, is dat mensen die van zijn spraakachterstand weten, hem toch blijven pushen om te praten. “Wil je een snoepje? Ja? Wat zeg je dan? Dan zeg je ‘dank je wel.’” Op zo’n moment springen de tranen in mijn ogen. Van onmacht en verdriet. Hij kan er niets aan doen dat hij een TOS heeft.

Niet zijn ding

Ik hoop dat Jesse in de toekomst naar een reguliere basisschool kan gaan. Taal zal nooit zijn sterkste kant worden, maar we zullen alles doen wat in ons vermogen ligt om hem zo goed mogelijk te helpen. Op zijn manier en in zijn eigen tempo.’

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine 

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.