Op een vrijeschool draait het om de ontwikkeling van het hele kind. Hierbij wordt gekeken naar hoofd, hart en handen. Een kind leert dus niet alleen uit boeken, maar ook door te bewegen, creatief te werken en dingen uit te proberen. Het onderwijs volgt een duidelijke visie, gebaseerd op de antroposofische ideeën van Rudolf Steiner. Hier lees je wat een vrijeschool anders maakt én wat je er als ouder van kunt verwachten.
Wat is een vrijeschool?
Vrijescholen vallen onder algemeen bijzonder onderwijs. Dat betekent dat een vrijeschool een eigen onderwijsvisie volgt, maar wel onder de Nederlandse onderwijswet valt. Net als andere scholen krijgen ze inspectie van de Onderwijsinspectie, moeten ze voldoen aan kerndoelen en hebben ze zorgplicht.
In de praktijk zie je deze persoonlijke aanpak terug in een breed en uitgebalanceerd lesaanbod. Naast de bekende cognitieve vakken zoals taal en rekenen, is er veel ruimte voor kunst, handvaardigheid en beweging.
Zo krijgt een kind de kans om niet alleen met het hoofd te leren, maar ook met het hart en de handen. Door deze brede benadering ontdekt een leerling gaandeweg waar zijn of haar echte passies en talenten liggen, terwijl de leerkracht nauwgezet de individuele groei en het zelfvertrouwen stimuleert.
De vrijeschool richt zich op:
een brede ontwikkeling: denken, voelen, doen
ruimte voor creativiteit
veel aandacht voor ritme en structuur
onderwijs dat past bij de leeftijdsfasen van het kind
Het idee dat kinderen ‘vrij rondlopen zonder regels’ klopt dus niet. Vrijescholen zijn juist duidelijk gestructureerd, maar op een andere manier dan het reguliere onderwijs.
Lees ook: Wat leert mijn kind op de basisschool?
De visie achter de vrijeschool
Het onderwijs is geïnspireerd op de pedagogiek van de Oostenrijkse filosoof Rudolf Steiner. Hij ging uit van drie belangrijke ontwikkelingsfasen van een kind, en ook de vrijescholen volgen deze drie fasen:
- 1
0–7 jaar: een kind ontdekt zijn lichaam. Spel en beweging staan centraal.
- 2
7–14 jaar: een kind ontwikkelt zijn gevoelsleven, verkent de wereld en wordt zich steeds (zelf)bewuster. Fantasie, kunst en gevoel spelen nu een grote rol.
- 3
14–21 jaar: in deze fase ontwikkelt een kind zijn eigen oordeelsvermogen, zelfstandigheid en identiteit. Denken, voelen en willen worden steeds meer ‘van zichzelf’.
Vrijescholen sluiten hun lessen aan op deze leeftijdsfasen. Daarom leren kinderen in de onderbouw vaak later lezen en schrijven dan op een reguliere school.
Wat houdt vrijeschoolonderwijs in?
De vrijeschool biedt een breed onderwijspakket aan. Kinderen leren uiteraard lezen, schrijven en rekenen, maar daarnaast is er ook aandacht voor creatieve vakken. Denk aan: vreemde talen, dansen, toneelspelen, tuinieren, zingen en schilderen. Er is aandacht voor spiritualiteit, natuur en cultuur.
Het onderwijspakket op een vrijeschool is zo breed, omdat ieder kind anders is. Het ene kind is praktisch ingesteld, het ander meer intellectueel en weer een ander is bijvoorbeeld meer sociaal gericht. Al deze verschillende vermogens worden in de vrijeschool aangesproken, zodat ieder kind zijn eigen kwaliteiten optimaal kan benutten.
Lees ook: 50 leuke vragen om je kind (nog) beter te leren kennen
Wat zijn kenmerken van een vrijeschool?
Een vrijeschool herken je vooral aan de manier van lesgeven. Zo is er een duidelijke structuur en wordt er veel bewogen tijdens de les.
1. Structuur
Op een vrijeschool is een duidelijke structuur. Elke schooldag start met een blok van enkele uren over één onderwerp. Hierbij komen meerdere vakken aan bod, zoals rekenen, taal en bijvoorbeeld aardrijkskunde. Dat vak wordt 3 tot 4 weken lang elke ochtend aangeboden. Dit heet periodeonderwijs. Kinderen duiken zo echt in één onderwerp, en verwerken de stof creatief in hun eigen periodeschrift (met tekeningen, teksten, samenvattingen).
Na het periodeonderwijs zijn er oefenuren. Dit zijn de andere schoolvakken, net als in het reguliere basisonderwijs. Ook zijn er vaklessen en kunsturen, hierbij krijgen de leerlingen les in schilderen, tekenen en muziek, euritmie, tuinbouw, handvaardigheid en handwerken.
In plaats van losse jaarthema's werkt de vrijeschool met een strakke, doorlopende leerlijn die nauw aansluit bij de ontwikkelingsfase van het kind. Voor elk leerjaar ligt vast welke leerstof en creatieve vakken aan bod komen, zodat het onderwijs precies meebeweegt met de leeftijdsspecifieke behoeften van de leerlingen.
Lees ook: Grenzen stellen: hoe zorg je dat je kind zich aan de regels houdt?
2. Veel beweging tijdens de les
Binnen het vrijeschoolonderwijs staat het principe van ‘hoofd, hart en handen’ centraal, maar dit betekent niet dat leerlingen bij elke les fysiek in beweging zijn. Het houdt in dat de leerstof op verschillende manieren wordt aangeboden en verwerkt. Naast het cognitieve leren (hoofd), is er veel ruimte voor de creatieve verwerking (hart) en de praktische uitvoering (handen). Beweging, zoals klappen of lopen bij rekenen, kan een krachtig middel zijn om de lesstof eigen te maken, maar het is geen standaardonderdeel van elke les.
Vanaf klas 4 (groep 6) wordt dit praktische aspect uitgebreid met vakken als tuinbouw, houtbewerken en techniek. Deze focus op ambacht en motoriek is een bewuste keuze: wetenschappelijk gezien zijn bepaalde hersenfuncties mede afhankelijk van de lichaamsmotoriek. Door hoofd, hart en handen in samenhang aan te spreken, wordt de brede ontwikkeling van het kind optimaal gestimuleerd.
3. Ritme en verbinding met de natuur
Op een vrijeschool worden de seizoenen van de natuur gevolgd. Ook de jaarfeesten spelen een belangrijke rol. Aan de hand van muziek, verhalen, dans en toneel worden kinderen bewust van de natuurlijke cyclus van het jaar. Ook wordt de connectie met de natuur zo gestimuleerd.
Wat is het verschil tussen montessori en vrijeschool?
Bij zowel het montessorionderwijs als vrijescholen staat de ontwikkeling van het kind centraal, maar ze verschillen duidelijk van elkaar.
Montessori
focus op zelfstandigheid, zelfontwikkeling en zelfmotivering van het kind
veel aandacht voor werken aan je eigen taken, vakken en planning
eigen tempo en vrijheid in keuze van materialen
kind kiest zelf
leerkracht volgt het kind
Vrijeschool
focus op ontwikkeling van het ‘gehele’ kind: hoofd, hart, handen
veel aandacht voor kunst, cultuur, muziek, beweging, creativiteit en persoonlijke ontwikkeling
kind leert binnen een klasritme, weinig keuzevrijheid
ook kunstzinnige en vormen van leren
leerkracht begeleidt de groep actief
minder vroeg cognitieve druk
Aanmelden bij vrijschool?
Wil je je kind aanmelden voor een vrijeschool? Besef je dan dat vrijescholen vaak veel aanmeldingen hebben. Veel vrijescholen hebben een intakegesprek om te kijken of de school bij je kind past
Waar komt het vrijeschoolonderwijs vandaan?
Het onderwijs op vrijescholen is gebaseerd op de antroposofische opvattingen van de Oostenrijkse filosoof Rudolf Steiner. Steiner wordt dan ook gezien als de grondlegger van het vrijeschoolonderwijs. Hij stelde dat de intellectuele ontwikkeling net zo belangrijk is als de ontwikkeling van het gevoel en de wil. Kinderen leren volgens hem dan ook niet alleen met hoofd, maar vooral ook met hart en handen.
Steiner kreeg in 1919 de leiding over een school in Stuttgart. Naar dat voorbeeld werd in 1923 in samenwerking met de Nederlandse Antroposofische Vereniging de eerste vrijeschool in Nederland geopend. Deze school in Den Haag werd het uitgangspunt van de vrijeschoolbeweging in Nederland.
Lees ook: Het schoolrapport: wat staat er precies in?
Wat is het voortgezet vrijeschoolonderwijs?
Het voortgezet vrijeschoolonderwijs (vaak de bovenbouw genoemd) is een logisch vervolg op de basisschoolperiode, waarbij de brede ontwikkeling van de leerling centraal blijft staan. Waar op veel scholen de focus direct verschuift naar examencijfers, kijkt de vrijeschool naar de vraag: wie ben ik en wat kan ik betekenen voor de wereld?
De belangrijkste kenmerken zijn:
Periodeonderwijs: Elke ochtend verdiepen leerlingen zich drie weken lang intensief in één specifiek thema (zoals sterrenkunde, economie of kunstgeschiedenis). Dit zorgt voor focus en verbinding tussen de vakken.
Hoofd, Hart en Handen: Naast de theoretische vakken (vwo, havo, vmbo-t) krijgen leerlingen veel kunstzinnige en ambachtelijke vakken zoals smeden, boekbinden, toneel en koorzang. Dit stimuleert de wilskracht en creativiteit.
De Jaarspreuk en Presentaties: Leerlingen werken toe naar grote persoonlijke mijlpalen, zoals de 'Eindwerkstukken' in de 12e klas (6 vwo/5 havo), waarbij ze een eigen onderzoek of project presenteren aan een groot publiek.
Sociale vorming: De klas blijft vaak lang bij elkaar, wat zorgt voor een hechte gemeenschap waarin leerlingen leren samenwerken en respect hebben voor elkaars unieke talenten.
Het bereidt leerlingen niet alleen voor op een diploma, maar op het leven als een zelfbewust en sociaal mens.
Bronnen: Vereniging van Vrijescholen, Onderwijsconsument, Ouders & Onderwijs