Postnatale depressie
door

‘Daar zaten we dan: net ouders geworden én allebei depressief’

Vlak na de geboorte van dochter Fynn krijgt Britt (42) langzaam steeds meer negatieve gedachtes. En ook met haar man André (33) gaat het niet goed. Allebei ontwikkelen ze een depressie.

‘Heb je niet gewoon een postnatale depressie?’ vroeg een vriendin voorzichtig aan de telefoon, nadat ik haar verteld had hoe ik me voelde. Ik werd woedend. “Ben je mijn vriendin of mijn psycholoog?” schreeuwde ik en hing op. Ik geloofde niet in depressies, vond dat het woord veel te gemakkelijk gebruikt werd. Maar achteraf bleek mijn vriendin helemaal gelijk te hebben. Dat besefte ik pas toen mijn man, een maand na de geboorte van Fynn, hetzelfde kreeg.

Advertentie

Ja hoor: meteen zwanger

Ik wilde graag kinderen, maar ik was alleen de vader van mijn kinderen nog niet tegengekomen. Totdat ik André ontmoette. Onze relatie voelde echt en veilig. Nog geen jaar later waren we getrouwd en stopte ik met anticonceptie. “Als het komt, dan komt het,” zeiden we tegen elkaar. En ja hoor: meteen zwanger. Ik was blij en verbaasd, maar vooral ook in shock. Opeens besefte ik dat we niet meer terug konden. Ben ik hier wel klaar voor? vroeg ik me vaak af. De eerste drie maanden waren heftig. Alles rook, smaakte en voelde anders. Als ik ouders met huilende kinderen zag ploeteren in de supermarkt, voelde ik me kwaad. Waar was ik aan begonnen? Ik vond het eng dat ik me een totaal ander mens voelde door de hormonen. Ik huilde veel, was misselijk.

In het tweede trimester veranderde alles. Plotseling genoot ik van mijn trappelende baby. Hoe zou ons kind eruitzien? André zorgde ervoor dat het me aan niets ontbrak. Hij kookte, deed het huishouden en als ik last had van mijn rug, zette hij me op de bank met een kop thee. We volgden samen een cursus haptonomische zwangerschapsbegeleiding. Daar leerde André hoe hij contact kon maken met de baby. Elke dag legde hij zijn hand op mijn buik. En niet alleen tijdens de zwangerschap, maar ook tijdens de bevalling was hij mijn steun en toeverlaat. Zo werden we trotse ouders van onze dochter Fynn.

Het kwam allemaal terug

Ik hield meteen van haar. Maar ik was ook ontgoocheld. Ik stond stijf van de adrenaline, als een soort gespannen elastiek. Het lukte me niet om te slapen. Twee dagen na de bevalling begonnen de herbelevingen. Ik voelde me zelf weer een baby. Alles in mijn lijf schreeuwde: je mág niet slapen! Het is hier onveilig. Ik ging terug naar de tijd waarin mijn eigen moeder mij geen liefde en geborgenheid had gegeven. Ze was depressief en had zelf een slechte jeugd gehad. Zoiets voel je denk ik als baby ook. Het kwam allemaal terug.

Lees ook: Het verschil tussen de babyblues en een postpartum depressie

Mezelf kwijt

Aan het einde van de kraamweek had ik nog steeds niet geslapen en op een avond raakte ik onderkoeld. Mijn lijf trilde en ik had het ijskoud. André belde de kraamhulp en die zei dat ik onmiddellijk mijn kleren moest uittrekken en naakt tegen hem aan moest kruipen onder de dekens. Ik was 34 graden en het duurde lang voordat ik weer een normale lichaamstemperatuur had. Vanaf dat moment knakte ik. Een soort emotionele crash. Ik kon alleen maar huilen. Onder de douche stampte ik met mijn voeten op de grond om maar iets te voelen. Ik was mezelf kwijt en kon niet rustig worden in mijn hoofd. “Waar zit je! Kom terug,” riep ik steeds tegen mezelf.

Een superslechte moeder

“Heb jij wel begeleiding?” vroeg de verloskundige toen ze me kwam checken. “Ja, een haptotherapeut waar ik al jaren naartoe ga,” zei ik kortaf. Ik wilde niets weten van extra hulp en vond dat ik mijn problemen zelf moest oplossen. Achteraf gezien was dat spijtig. De haptotherapie hielp, maar de juiste diagnose en medicatie had er waarschijnlijk voor gezorgd dat ik door een minder diep dal zou gaan. In de maanden na de bevalling voelde ik me een superslechte moeder. Het slapen ging steeds beter, maar ik piekerde me helemaal suf. “Ik ben het niet waard om voor dit mooie wezentje te zorgen,” zei ik tegen mezelf. Steeds vaker overwoog ik adoptie. Het leek me verschrikkelijk om Fynn te moeten missen, maar op dat punt geloofde ik écht dat iemand anders haar meer liefde kon geven. Ik was bang dat ik mijn eigen moeder achterna zou gaan en Fynn zich onveilig zou voelen. Soms dacht ik dat het beter was als ik gewoon doodging.

Tips: zo verwerk je een traumatische bevalling.

‘Ik ben een monster’

Fynn huilde vanaf de geboorte elke avond een aantal uren achter elkaar. We wisten dan niet hoe we haar moesten troosten. Na een maand zag ik dat André er niet meer mee om kon gaan. Hij begon met spullen te gooien en sloeg onze deur kapot. We hadden veel ruzie en stonden op spanning. Op een avond kwam hij naast me zitten op de bank. “Ik moet je iets vertellen,” zei hij. “Ik heb Fynn expres onder water gehouden toen ik haar in bad deed. Ook heb ik haar hard in haar bedje gegooid en ondersteboven gehouden toen ze huilde.” Ik wist niet wat ik hoorde. Mijn eerste neiging was om alles te relativeren. Ik kón het gewoon niet geloven. André kapte dat meteen af. “Je mag het niet goed praten,” zei hij. “Ik ben een monster.”

Terwijl hij naar boven liep, zakte de grond weg onder mijn voeten. Als André gevaarlijk was voor onze dochter, moest hij onmiddellijk het huis uit. Dat zou ook betekenen dat ik er helemaal alleen voor kwam te staan. Gelukkig voelde ik ook dat het niet André, maar een voor mij toen nog onbekende aandoening was die hem tot zijn gedrag had gedreven. Daarom ging ik naast hem zitten op ons bed en zei ik: “Je bent geen monster. Maar vanaf nu laat ik je niet meer alleen met onze dochter.” Daarna liep ik naar de kamer van Fynn. Ze lag te slapen, maar ik tilde haar op, hield haar dicht tegen me aan en fluisterde: “Papa heeft het verteld. Mama weet het nu en ik zorg voor jouw veiligheid.”

Lees ook: Hoe ga je als partner om met een postnatale depressie?

Postnatale depressie

Via LinkedIn las ik een interview met een man die een postnatale depressie had gehad. Hij voelde zich een vreselijke vader, werd snel driftig en had nare gedachtes over zijn kind. Ik herkende alles. Bij mezelf én bij André. Ik zocht steeds meer informatie op internet en kwam erachter dat prille vaders een grotere kans hebben op een postnatale depressie wanneer de moeder daar ook last van heeft. André ging in therapie, maar zijn therapeut sprak nooit over een postnatale depressie. Er rust nog een enorm taboe op deze aandoening bij mannen. André en ik gingen door een zware, donkere periode. Ik moest dealen met mijn depressie en hij met die van hem. Daarnaast nam ik de volledige verzorging van Fynn op me, omdat ik hem die niet toevertrouwde. Het hielp dat we open en eerlijk naar elkaar waren. Als het André te veel werd, gaf hij dat aan en ging hij buiten een rondje rijden. Soms voelde ik dat hij een nare bui kreeg en vroeg ik hem hoe het ging. Dan werd hij weleens boos, maar dat kapte ik af. “Onze situatie werkt alleen als je mij een eerlijk en helder antwoord geeft,” zei ik dan. “Als je dat niet kan, stopt het hier.” En dat hielp.

Moeder én knettermoe? Grote kans dat je lijdt aan postnatale depletie

Inmiddels is Fynn zes jaar en hebben we ons er samen doorheen geslagen. Ik kreeg na de zoveelste inzinking, zes maanden na de geboorte van Fynn, medicatie, op voorschrift van de dokter, nadat ik eindelijk aan de bel had getrokken. Dat hielp enorm. Gelukkig kroop ook André langzaam uit zijn dal. We voelen ons nog vaak schuldig naar Fynn. Zou ze toch een trauma hebben opgelopen? Ze is een vrolijk en veerkrachtig meisje. We hebben ook een zoon gekregen, Brent, en tot onze grote opluchting ging die kraamperiode super. Na zeven weken had ik plotseling een flinke dip, maar ook toen heeft medicatie mij er weer bovenop geholpen. André en ik zijn dolgelukkig met onze kinderen en we voelen niets anders dan liefde voor ze. Ik zou alleen zo graag willen dat een postnatale depressie, ook bij mannen, sneller herkend wordt. Dat bespaart jonge ouders een hoop ellende.’

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Tekst: Albertine Otten, Fotografie: Cees Rutten Jr.
*In dit verhaal zijn fictieve namen gebruikt.