kind keuzes maken

Hoe help je jouw kind keuzes maken?

Kinderen hebben veel te kiezen en dat kan lastig zijn. Niet iedereen is even goed in knopen doorhakken. Hoe help je je kind keuzes te maken?

Zelf doen

Van keuzes maken kan je kind veel leren, want kiezen is:

1. Je angst overboord gooien en op jezelf vertrouwen;

2. Risico’s durven nemen, niet bang zijn voor het onbekende en je openstellen voor nieuwe dingen;

3. Fouten durven te maken, daar leer je tenslotte van. Elke keuze is een keuze, dus laat het als ouder ook gebeuren;

4. Vooral leuk, je hebt namelijk alle vrijheid en doet het meestal helemaal zelf.

Keuzes, keuzes, keuzes

De hele dag door maken we keuzes: ‘Wat trek ik aan?’, ‘Wat doe ik op mijn boterham?, ‘Ga ik lopend of op de fiets naar school?‘, ‘Wil ik met iemand spelen na schooltijd?’ Kiezen is een proces dat zowel bewust als onbewust gebeurt. Jonge kinderen vinden het vaak moeilijk om te kiezen uit meerdere mogelijkheden. Beperk het aantal mogelijkheden daarom voor ze. ‘Wil je kaas of worst op je brood?’, ‘Doe je zelf je pyjama aan of zal ik je helpen?’. Zo maak je het helder en zal je kind sneller tot een keuze komen. Kinderen zijn visueel ingesteld, ze denken vaak in plaatjes. Wees daarom concreet en laat bijvoorbeeld de worst en de kaas even zien.

De piekeraar, de duizendpoot en de struisvogel

Het ene kind kiest snel, het andere kind doet er langer over of maakt liever helemaal geen keuze. Grofweg zijn er 3 typen keuzemakers: de piekeraar, de duizendpoot en de struisvogel. Als je weet wat voor type je kind is kun je hem beter helpen en stimuleren op voor hem belangrijke gebieden. Bekijk hier welk type je kind is.

Welk type keuzemaker is jouw kind?

Het ene kind maakt snel een keuze, het andere kind twijfelt eindeloos. Grofweg zijn er drie typen keuzemakers: de piekeraar, de duizendpoot en de struisvogel. Als je weet wat voor type je kind is, kun je hem beter helpen en stimuleren knopen door te hakken die belangrijk voor hem zijn:

Type 1: de piekeraar

De piekeraar kan niet kiezen. Wie nodig ik uit voor mijn verjaardagsfeestje? Welke pizza wil ik? Welke sport zal ik kiezen? Piekeraars maken een weloverwogen keuze en streven naar ‘het perfecte’. Ze voelen zich erg verantwoordelijk en denken na over de gevolgen van hun keuze. ‘Wat als..?’ is een vraag die ze vaak stellen of in hun hoofd hebben. Een piekeraar is in gedachten altijd in het verleden of in de toekomst in plaats van in het nu. ‘Als ik dit kies, heb ik dat andere niet gekozen en dan…’ Misschien heb je de neiging om dan te zeggen: ‘Kom op, pak even door.’ Maar dat is niet altijd de handigste aanpak. Dit type kind wordt namelijk snel onzeker en angstig. Heb geduld met een piekeraar.

Zo help je je piekeraar

Met dit soort vragen kun je je kind steunen: ‘Wat vind je zelf het leukst?’, ‘Wat vind je zelf het belangrijkst?’, ‘Wat zou je kiezen als alles mogelijk was en je nergens rekening mee hoefde te houden?’ Help hem verder om keuzes te relativeren. Een ijsje is maar een ijsje. Blijkt de smaak die je hebt gekozen toch niet zo lekker? Dan neem je de volgende keer een andere. Ook kun je samen met je kind de keuze vanaf een afstand bekijken door er een verhaaltje van te maken. Misschien kunnen jullie samen lachen om het meisje dat uit 300 ijsjes één ijsje moest kiezen en steeds van gedachten veranderde. Wees inventief en creatief. Ook kun je samen een paar voors en tegens van een keuze opsommen. Wat ook kan helpen, is zeggen: ‘We gaan nu eerst naar voetbaltraining en dan hoor ik daarna welke keuze je hebt gemaakt.’ Zo kan je kind in de tussentijd de mogelijkheden onbewust verwerken en beslist hij daarna waarschijnlijk beter en gemakkelijker.

Type 2: de duizendpoot

Duizendpootkinderen vinden alles leuk en zijn zo enthousiast dat ze bijna overal ‘ja’ op zeggen. Het liefst spelen ze met iedereen en alles tegelijk. Hoe ze dit allemaal moeten regelen, daar denken ze niet over na. Duizendpoten kiezen vaak in een opwelling, walsen in hun enthousiasme over anderen heen en houden soms weinig rekening met anderen. Ook denken ze meestal niet na over hun keuzes. Ze zijn zelfverzekerd en leven in het nu. ‘Wat als..?’ zul je dit type kind niet snel horen zeggen. Wel: ‘Maar ik wil ook nog dat en dat!’

Zo ga je met je duizendpoot om

Stel vragen als: ‘Wat gebeurt er als je die keuze hebt gemaakt, wat zijn de gevolgen?’ of ‘Hoe kun je rekening houden met de anderen?’ Leer je kind nadenken over wat hij kiest. Creëer een moment rust, maak oogcontact en laat hem eventueel tot tien tellen voordat hij antwoord geeft. Leg uit dat het of-of is en niet en-en. Laat hem één keuze per keer maken.

Type 3: de struisvogel

Struisvogels maken het liefst helemaal geen keuzes of stellen het maken van een keuze uit. Dingen die ze niet kennen of waar ze bang voor zijn gaan ze uit de weg. Ze zijn ook bang om verkeerd te kiezen. Struisvogels hopen vaak dat het keuzemoment vanzelf voorbijgaat, zodat ze niet hoeven te kiezen. Daarnaast zullen deze kinderen vaker meegaan in de keuze van hun broertje of zusje of vriendjes en vriendinnetjes. Ze houden zich een beetje op de achtergrond, waardoor ze zichzelf tekortdoen. Struisvogeltypes zullen vaak ‘Ik weet het niet’ zeggen als je ze vraagt wat ze willen.

Struisvogel-tips

Bij struisvogelkinderen is het van belang dat je ze stimuleert en betrekt bij het keuzeproces. Leg uit wat de keuzes zijn en geef maar twee opties, om het overzichtelijk te houden. Bespreek samen wat de gevolgen zijn van de keuze. Vertel je kind ook wat er gebeurt als hij niet kiest. Vraag hem vervolgens wat hij nodig heeft om de keuze te kunnen maken. Deel een grote beslissing op in hapklare stukken, zodat het einddoel duidelijk is. Stel open vragen aan je kind en word vooral niet boos of ongeduldig, want dan stopt de struisvogel zijn kop nog dieper in het zand.

Bange struisvogels

Sommige struisvogels kiezen wel snel, maar maken die keuze op basis van angst. Ze doen bijvoorbeeld niet mee aan een voorleeswedstrijd omdat ze niet op het podium willen staan. Ook bij deze struisvogels moet je even doorvragen. ‘Weet je het zeker?’, ‘Wil je er nog even over nadenken?’, ‘Wat is er leuk aan en wat is er niet leuk aan?’, ‘Zou je het wél doen als…’ Maak ze bewust van hun eigen angsten en laat zien dat ze zelf kunnen bepalen of ze daarnaar luisteren of niet.