Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting

 
door

Spermadonor blijkt massadonor. 'Onze kinderen hebben zeker 100 halfbroers en -zussen'

Joyce (32) en John (42) waren de donor van hun kinderen vooral dankbaar. Totdat Joyce ontdekte dat die donor niet eerlijk is geweest, en er nog honderden halfbroertjes en -zusjes van haar kinderen in Nederland rondlopen. Ze besluiten de donor hiermee te confronteren.

Advertentie

‘Vrijdagavond. Ik zat op de bank met mijn laptop op schoot, mijn man John keek televisie. In Google tikte ik de naam van de donor van onze kinderen in.

In shock

Waarom ik dat deed, geen idee, ineens stond zijn naam op de zoekbalk en kreeg ik veel zoeksuggesties. Ik klikte er een aan en op dat moment stokte alles. Mijn adem. Mijn hartslag. Mijn maag draaide zich om en een intense boosheid vulde elke cel in mijn lichaam.’

Bewust geen kind

Eerst even terug in de tijd, als Joyce en John tien jaar daarvoor een relatie krijgen. Ze zijn gelukkig en verliefd. Joyce heeft geen kinderwens, John is gesteriliseerd en heeft uit een eerder huwelijk drie kinderen. Mocht hij de sterilisatie ooit ongedaan willen maken, dan zou de kans op een kind extreem klein zijn, want hij bleek ook verminderd vruchtbaar.

Niet ongesteld

Toch wordt Joyce op een dag ineens niet ongesteld: ‘Na een week ging ik naar de huisarts en die zei: “Je zou zomaar zwanger kunnen zijn.” Ik lachend: “Nou, dat denk ik niet.” Het kan, zei de huisarts weer; de kans was klein, maar toch. “Wacht nog maar een paar dagen,” was zijn reactie. Thuis deden we een test. Niet zwanger. Maar de menstruatie kwam ook niet.

Advertentie

Zaadje geplant

We waren in shock: zwanger? Stiekem groeide in die paar dagen ineens het idee van een kind, van ons samen. Onze gedachten kregen steeds meer vorm. Dat er iemand bij ons gezin zou komen, iets van ons samen. Toen ik na een week toch ongesteld werd, vertelde ik John dat ik stiekem best teleurgesteld was. Dat had hij ook: bij ons allebei was er een zaadje geplant en dat ging niet meer weg.

Donorsperma

Niet veel later maakten we een afspraak bij de fertiliteitsarts om te kijken hoeveel kans we echt hadden op een kind. Biologisch gezien bleek dat nul. We bespraken ook de andere opties, zoals sperma van een donor. Ik kon me niet voorstellen dat donorsperma iets zou veranderen aan het gevoel dat het een kind van ons samen was. John dacht er hetzelfde over. En dus besloten we ervoor te gaan.

Vertellen?

De dokters in de kliniek hadden gezegd dat gezien mijn leeftijd, gezondheid en de onderzoeken die ik had gehad, het snel zou kunnen lukken. We kregen een gesprek met een psycholoog en die stelde ook de vraag of we het toekomstige kind wilden vertellen over de donor.

Wij zeggen niks

Met de informatie die ik nu heb, zouden we het altijd zeggen. Toen zeiden wij: “Nee, we vertellen het aan niemand.” We wilden het niet onnodig ingewikkeld maken voor het kind en dachten dat hij dan minder last zou hebben van identiteitsproblemen of (onbeantwoorde) vragen over z’n afkomst. Wij redeneerden zo: wij zijn de ouders en daar kan het kind zich aan vasthouden. Dan hoeft hij zich verder niet druk te maken over een donor of halfzusjes of -broertjes. Of over waar hij vandaan komt. De psycholoog in de kliniek zei: “Er is geen goed of fout, als het voor jullie goed voelt moet je dat doen.” Pas later hoorde ik dat dat helemaal niet geadviseerd mag worden. En dat kinderen door het verzwijgen juist sneller problemen krijgen.

Advertentie

Geen resultaat

We gingen een traject in. Zeven inseminaties verder was er geen resultaat. De kliniek wilde meer onderzoeken doen, ik wilde graag een pauze. Die zeven maanden daarvoor vond ik zwaar. Ik was moe. Mentaal uitgeput. Twee weken in de maand voelde het alsof ik wachtte op de uitslag van een belangrijk examen. Die hyperfocus op mijn cyclus, het werd een soort obsessie. John en ik wilden zo graag een kind.

Lang traject

Vlak voor de laatste inseminatie zaten we in de wachtkamer, een stel tegenover ons keek rond. Ze zeiden tegen elkaar: “Kijk, vorig jaar hing hier de kerstversiering.” We keken elkaar aan: vorig jaar… zitten die mensen al zo lang in een traject? Dat besef kwam binnen, dat het zó lang kon duren.

Zelf op zoek

In de kliniek had ik het gevoel dat ik steeds te laat geïnsemineerd werd. Ik voel mijn eisprong altijd, dus dan zei ik: “Het moet nu.” Volgens de echo’s was het te vroeg, en moest ik wachten. Heel vervelend vond ik dat. Na een paar maanden rust en niet bezig zijn met mijn cyclus, hadden John en ik een gesprek. Wat nou als we zelf op zoek zouden gaan naar een donor, zonder hulp van een kliniek?

Sperma gezocht

Op een dag toetste ik: spermadonor + aangeboden in op Google. Er ging een wereld voor me open. Uren en uren bracht ik online door, ging van forum naar forum, op zoek naar informatie. Want waar vind je die donoren dan? Uiteindelijk vond ik steeds beter mijn weg.

Hoe begin je?

Ik heb met meerderen contact gezocht, maar elke keer vond ik dat lastig. Je hebt honderd vragen, en hoe begin je? “Hoi, ik ben Joyce en ik ben op zoek naar sperma. Kun jij ons helpen?” Hoe weet je of een donor gezond is? Maar in de kliniek moet je er ook maar op vertrouwen dat iemand geen ernstige ziektes verzwijgt.

Veilig gevoel

John en ik besloten: we doen wat voor ons het beste voelt. Een donor die voor co-ouderschap ging of wilde dat het kind van zijn bestaan wist, viel af. Als iemand schreef dat-ie perfect en geweldig was, dan haakte ik af. Ik sloeg aan op donoren die gezond waren, voor zover je dat kon checken natuurlijk, en die wilden helpen. Als iemand eerlijk vertelde over zijn minder goede eigenschappen, gaf me dat een veilig gevoel. Uiteindelijk hebben we maar één donor in het echt ontmoet: Jonathan.

Dit is ’m

Het was lente, buiten scheen de zon. John en ik zaten in het Van der Valk-restaurant aan een tafeltje met zicht op de deur. Het was alsof mijn maag omhoog kroop: is dit het begin van een nieuwe weg? Ik bleef maar naar de ingang staren. Toen kwam hij binnen. Grote bos haar, dikke krullen. Ik dacht: als we een kind van hem krijgen, hoop ik dat-ie zijn haar krijgt.

Gezinsgeluk

Van tevoren hadden we hem als een soort inspecteur gegoogeld. Hij had over zichzelf verteld, dat hij ooit leraar was en nu in de bitcoins zat, over zijn familie, zijn gezondheid. En over zijn motivatie: hij kwam zelf uit een groot gezin en hij zag hoe fijn een gezinsleven is. Dat gunde hij anderen ook. Zelf was hij de ware nog niet tegengekomen, hij was 33 en hij had geen haast. Zijn idee: tien gezinnen helpen in hun gezinsgeluk.

Nummer vier

Geld vroeg hij niet, wel een reiskostenvergoeding. Drie gezinnen had hij al geholpen, en wij zouden dan nummer vier zijn. Hij respecteerde onze wens om het kind niets over de donor te vertellen, en hij hoefde ook geen rol in ons leven te hebben. Meteen toen hij bij ons aan het tafeltje kwam zitten, klikte het. Jonathan is een soort boy next door, als een normale buurman. Geïnteresseerd ook. Ja, het was gewoon gezellig. Met een glimlach vertrokken John en ik die middag weer naar huis.

Contact

Samen stelden we een donorcontract op, Jonathan deed een soa-test. Vier keer ben ik het sperma thuis bij hem gaan halen. Bij zowel Alissa als Aiden hadden we twee pogingen nodig. Tijdens de zwangerschap en de periode na de geboorte koos ik ervoor om af en toe contact te zoeken met Jonathan. Het klikte, en we waren hem zo dankbaar dat hij onze kinderwens hielp vervullen.

Normaal gezin

Ik hield hem dan op de hoogte van hoe het met ons ging. Toen ik werd ingeleid tijdens beide zwangerschappen, appte ik: “Spannend, het gaat gebeuren.” Soms stuurde ik een foto en toen mijn zoon last kreeg van luchtweginfecties, vroeg ik of er in zijn familie iets voorkwam waar we rekening mee konden houden. Jonathan zelf zocht geen contact, maar zijn reacties waren altijd positief. Verder speelde hij geen rol in ons leven. We waren een normaal gezin en de kinderen wisten niet beter dan dat John hun biologische vader was.

Seriedonor

Tot die bewuste vrijdagavond, nu een paar maanden geleden. Want toen ik Jonathans naam op Google intikte, kreeg ik een suggestie van een artikel in The New York Times, over een Nederlandse seriedonor. Ik zei tegen John: “Moet je dit horen, Jonathan is een massadonor. Die tien gezinnen, dat klopt helemaal niet.” Ik raakte in een soort vrije val en bleef maar online zoeken. Bij elke klik werd ik bozer.

Voorgelogen

Al snel vond ik het telefoonnummer van een van de moeders die in de media had verteld over hoe Jonathan haar had voorgelogen. Van haar hoorde ik het hele verhaal. Jonathan had al zeker 102 geregistreerde kinderen in Nederland verwekt, ook via klinieken. In Nederland is een registratieplicht en mag je maximaal 25 kinderen per donor op de wereld zetten, alleen die regels blijken dus makkelijk te omzeilen. Hij heeft fysiek in meerdere landen gedoneerd, waaronder Canada, Duitsland en Servië. Ook heeft hij gedoneerd aan een Deense kliniek die internationaal rietjes sperma verkoopt. Daarom duiken er ook kinderen van hem in Australië en Amerika op.

Zo kwaad

We wilden hem natuurlijk meteen bellen en voor weet ik veel wat uitmaken. Maar we voelden ook: eerst nadenken, vooral voor de kinderen. Want de impact op hen zou groot zijn. Nu moesten wij ze vertellen over de donor en dat ze heel veel halfbroertjes en -zusjes hebben. Er waren al verhalen van kinderen die samen op het kinderdagverblijf zaten en allebei een kind van Jonathan bleken te zijn.

Niks gemerkt

Ben ik dan zo naïef, ben ik dan zo dom? vroeg ik me telkens af. Hoe hadden we hem zo kunnen vertrouwen? Waarom heb ik niks gemerkt, niks aangevoeld? Wat mij het meeste stak was dat iemand anders een beslissing neemt voor je kinderen, nog voordat ze geboren zijn. Namelijk dat er zo veel halfbroertjes en -zusjes zijn.

Toch vertellen

Ik heb Stichting Donorkind gebeld en advies gevraagd over hoe we dat het beste konden aanpakken. Want nog steeds wilden we het leven van onze kinderen zo min mogelijk complex maken. Gelukkig zijn ze nog redelijk jong, of jong genoeg om op te groeien met het idee dat er een donor is. Na dat gesprek begrepen we ook ineens dat het ’t beste voor het kind is om juist wel over de donor te vertellen. Het kwartje viel toen ook bij ons.

Eerste appje

Het eerste whatsappje dat ik naar Jonathan stuurde, was een paar dagen later. Wissen, opnieuw beginnen, deleten. Uiteindelijk schreef ik: “Hoi Jonathan, inmiddels zijn wij er ook van op de hoogte dat er meer donorgezinnen zijn buiten die tien. Wij maken er verder geen probleem van, maar we zijn wel geschrokken. We zijn nog steeds heel blij met ons gezin.”

Beheerst en rustig

We hadden ook gehoord dat hij fotomateriaal van donorkinderen gebruikte om zichzelf te promoten als donor. Dus we vroegen hem ook om overal, als hij het al had gebruikt, de foto’s van onze kinderen weg te halen. Een beheerst en rustig bericht ja, maar ondertussen kookte ik van woede, verdriet en teleurstelling.

Ballen aan de boom

Toch was het besef om dit goed aan te pakken voor de kinderen er direct. Met boosheid bereik je niet veel. Jonathan is de helft van hun DNA, ik wil niet dat ze negatief kijken naar de helft van zichzelf. Later heb ik weleens tegen hem gezegd: “Het liefst hang ik je aan je ballen in de hoogste boom.”

Het is gebeurd

Jonathan maakte excuses en gaf aan dat hij is doorgeslagen in zijn enthousiasme. Dat klinkt wel als iets voor hem, maar ik vind het ook moeilijk om te geloven, omdat hij ook bewust verschillende namen en aliassen gebruikt om te doneren. Toch besloten John en ik al snel: het is gebeurd. Laten we ons focussen op hoe we daar voor de kinderen het beste mee om kunnen gaan.

Geen slachtoffer

Dat is ook de reden waarom ik hier mijn verhaal wil vertellen. Er zijn veel verhalen in de media geweest rondom Jonathans donorschap waarin het beeld geschetst wordt dat de kinderen slachtoffer zijn van een schandaal. Zij lezen al die verhalen later ook, en bovendien staat het niet in verhouding met hoe wij ons voelen. Onze kinderen waren en zijn een bewuste keuze. Zij zijn geen product van een schandaal, maar Jonathan heeft zich wel schandalig gedragen. Ja, er zijn te veel kinderen, maar het is niet in het belang van die kinderen om openlijk zo negatief over hem te zijn. Er moet juist wetgeving en betere registratie komen om dit gedrag bij donoren te voorkomen.

Goed moment

Een aantal weken later keken mijn dochter (6) en ik naar een televisieprogramma over zwangere vrouwen. Ze vroeg: “Hoe komen de baby’s in de buik?” Ik dacht: dit is een goed moment om het haar te vertellen. Dus ik zei: ‘Weet je nog, dat verhaal over die zaadjes en eitjes? Nou, jij en je broertje zijn nog specialer. Want papa had geen zaadjes meer, een meneer heeft ons zaadjes gegeven: Jonathan. En daarna groeiden jullie in mama’s buik.”

De prins

Ze vroeg hoe Jonathan eruitzag en dus liet ik haar foto’s zien. “Hij lijkt op Belle en het Beest, de prins,” zei ze en keek weer verder naar de televisie. Drie dagen later vroeg ze: “Heeft Jonathan eigenlijk huisdieren? Wat is zijn lievelingseten?” Ik wist het niet en appte Jonathan. Hij antwoordde: “Een hamster en speklapjes.”

Afspreken

Twee weken later vroeg ze: “Kunnen we met Jonathan afspreken?” En dat deden we. Jonathan was enthousiast. Wij zagen er vooral heel er tegenop, waren bang voor een gespannen sfeer en stiltes. Maar ik deed het voor Alissa, want bij Aiden speelt het nog niet zo. We hebben hem ook verteld dat Jonathan zijn donor is, maar het besef heeft hij nog niet.

Naar het strand

Er is een Facebookgroep voor alle gezinnen die Jonathan als donor hebben, er zijn zo’n honderd mensen lid. Je mag daar pas in als Jonathan de donor is van je kind. Er is ook een kinderpsycholoog bij betrokken. Zij gaf aan dat als de kinderen er behoefte aan hebben, een ontmoeting kan. We zijn een middagje met z’n vieren en Jonathan naar het strand gegaan. Het klinkt gek, want je bent toch met iemand die je keihard voorgelogen heeft, maar er was geen rare sfeer, geen gek gevoel. Ik genoot van Alissa, zij vond hem aardig, maar “hij praatte wel veel”. Daarna was het goed voor haar.

Een grote familie

Voor mij natuurlijk niet. De kinderen zijn blij, gelukkig, gezond. We hebben wat we wilden, maar ik ben nog steeds boos. Het gaat wel om mijn kinderen, die nu ineens een batterij aan halfbroertjes of -zusjes hebben. Via die Facebookgroep hebben we inmiddels een ander gezin ontmoet, meerdere keren zelfs. Zij hebben een kind van een andere donor en eentje van Jonathan. Zij wonen hier dichtbij en staan er een beetje hetzelfde in als wij.

Niet te missen

Sommige ouders zijn heel boos op Jonathan, willen afdwingen hem te laten stoppen en sommige hebben nog goed contact met hem. Zoals wij, en dit gezin dus. Ze zijn ook met hem bezig om nog een kind te krijgen. De eerste ontmoeting was supergezellig. De moeder is Surinaams en ze zei: “Nou, als-ie een lichte huid had gehad, had-ie er net zo als jouw kinderen uitgezien.” De gelijkenis is niet te missen. Hun gezicht, de uitstraling, de ogen, hun gedrag zelfs. “Daar is geen DNA-test voor nodig,” zeiden wij tegen elkaar.

Halfbroertje

Alissa vond het leuk om haar halfbroertje te ontmoeten, al wilde ze liever een zusje. Het laat goed zien dat ze gelukkig nog klein genoeg zijn om op te groeien met het idee dat er nog veel meer kinderen zijn. Want we willen er in de toekomst nog meer gaan ontmoeten, als Aiden en Alissa dat willen. Wij willen vooral dat ze met zelfvertrouwen opgroeien en daardoor is het belangrijk dat ze positief kunnen kijken naar de helft van hun DNA.

Echt klaar mee?

Mijn boosheid helpt daar helemaal niet bij, gelukkig lukt het me om voor hen positief te zijn. Aiden was vorige week jarig en toen was dat andere donorgezin er ook, met hun halfbroertje dus. Heel gezellig. Dat komt dan ook zomaar op je pad. Hoeveel kinderen er nog bij komen? Jonathan zelf zegt dat hij er wel klaar mee is, maar of hij er ook mee stopt? Dat weet je bij hem nooit zeker.’

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Interview: Femke Zijlema. Fotografie: Brenda van Leeuwen

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.

Redactioneel – Offer- Plaspotje

Plaspotje

Met uitneembare binnenkant
Shop nu