een kind
door

'Wáárom is een gezin met twee kinderen nog steeds de norm?'

'Wanneer komt de tweede?' Gezinnen met twee kinderen zijn nog steeds de norm. Maar waarom eigenlijk en wordt het niet eens tijd dat dit gaat veranderen?

Op elke kinderverjaardag – waar vaak vrienden van vrienden zijn – krijgt Monique (32) het wel een keer te horen. ‘Wanneer komt de tweede?’, met een schuine blik richting zoon Lucas. Want ja: die is inmiddels ‘al’ drie. Monique hoort vooral: schiet eens op! En dat is ze best wel zat. ‘Mijn vriend en ik hebben al vrij snel na de geboorte van Lucas besloten dat één kind genoeg is. Het voelt compleet. We wilden heel graag ouders worden, maar zagen er van tevoren best wel tegenop dat ons hele leven om kinderen zou draaien. Met één kind zijn we vrijer en hebben we meer rust.’

Advertentie

Monique voelde de afgelopen drie jaar: mijn leven is in balans. Waar vriendinnen met een baby in de draagzak en een peuter in de hand van babyzwemmen naar crèche rennen, merkt Monique dat haar gezinsleven overzichtelijker is. ‘Lucas is een beweeglijk mannetje, dus we hebben het druk genoeg. Maar je kunt één kind makkelijker meenemen en ik zit ook niet op hete kolen als ik een keer weg ben en mijn vriend is alleen met hem. Dan denk ik: die redt het wel. Ik weet niet of ik dat ook zou hebben gehad als ik mijn vriend met twee kinderen van verschillende leeftijden zou achterlaten. Dat is toch bewerkelijker.’

Twee is normaal

Inmiddels heeft Monique een antwoord paraat, maar in het begin stond ze met de mond vol tanden als mensen haar vroegen waar de tweede bleef. Want, zo zegt ze zelf: waar bemoeien die mensen – die ze niet eens ként – zich mee? En: wáárom is een tweede kind de norm?

Dat kan Jan Latten, voormalig demograaf bij het Centraal Bureau voor de Statistiek en emeritus hoogleraar aan de Universteit van Amsterdam, uitleggen. ‘Als je goed naar de cijfers kijkt in Nederland, dan is het gemiddeld aantal kinderen per stel 1,6,’ zegt hij. ‘Dat is een beetje een gek getal natuurlijk, maar zo werkt dat in de statistiek als je een gemiddelde berekent.’ Van de oudste levende generatie moeders, die nu in de 80 is, heeft 14 procent één kind gekregen, 39 procent twee kinderen en 47 procent drie of meer. Vergelijk dat met de moeders van nu van 45 jaar, dus met een afgerond gezin en weinig kans op uitbreiding, en dan zie je dat 20 procent van die moeders één kind heeft, 50 procent twee kinderen en 30 procent drie of meer kinderen.

Latten: ‘Er zijn dus iets meer gezinnen met één kind gekomen in Nederland, er zijn minder gezinnen met drie of meer kinderen en er zijn véél meer gezinnen met twee kinderen.’ De redenen zijn voor de hand liggend, maar divers. We hebben anticonceptie (meerdere opties zelfs), zijn minder gelovig met z’n allen en dus is er geen taboe meer op anticonceptie. Ook beginnen we later met gezinsplannen. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste krijgen, is nu bijna 30. ‘En daar komt nog bij,’ vervolgt Latten, ‘we scheiden ook meer, waardoor moeders soms na één kind geen partner meer hebben en pas weer een iemand vinden als de eierstokken niet meer rinkelen – of als het verdrietig genoeg niet meer lukt.’ Ook economische redenen zorgen ervoor dat twee kinderen ‘de norm’ is geworden. Latten: ‘Kinderen kosten geld, en vrouwen willen ook carrière maken, studeren. Hoe meer kinderen, hoe meer dat wordt bemoeilijkt, even ongenuanceerd gezegd.’

Bordje weg

De cijfers laten dus volgens de demograaf een bepaalde mate van voorspelbaarheid zien. Dat wil zeggen: ‘Omdat statistisch gezien tweekindgezinnen het vaakst voorkomen, zíén we die ook het vaakst. Dat maakt dat mensen snel denken dat dat overal het geval is, en dat er dus een soort druk wordt ervaren.’ Ook Marije (36), bewust moeder van één kind, een dochter, merkte het. Volgens haar is de samenleving in haar ogen ook vooral ingesteld op tweekindgezinnen. In een restaurant zijn tafeltjes altijd gedekt voor vier personen – gaat Marije met haar gezin uiteten, dan moet er vaak een bordje weggehaald worden. Ook zoiets: Ikea-kamers, meubelstukken zoals banken en eettafels, maar ook pretparken met hun achtbanen. Allemaal voor vader, moeder, kind één en kind twee. ‘En vergeet de reclames niet. Het gaat altijd over meervoud: “Jij en je kinderen.” In folders van speelgoedwinkels en woonwinkels en op tv zie je altijd vader of moeder met twee kinderen. Liefst nog een jongetje en een meisje.’

Dat vraag je toch niet?

Marije en haar man hebben één dochter. ‘Bij ons loopt het niet zoals mensen het ‘normaal’ vinden. Mensen gaan er gewoon niet vanuit dat je maar één kind wil. Maar ik vond het hele moederschap best wel heel heftig, en nog steeds weleens.’ Die roze wolk? Mwah. Kent Marije niet echt. Saar was een huilbaby, de eerste drie maanden huilde ze vooral overdags aan één stuk door. ‘Ik vond het heel intens. En ook het idee dat er een mensje is waar je zielsveel van houdt, maar dat ook vóór jou gaat. In alles. Ik vond dat best lastig. Wie was ik nog, náást dat ik moeder was? Dat was ik wel een beetje kwijt, en heeft een tijd geduurd voordat ik dat weer een beetje terug had.’ En, toegegeven: het ouderschap had ook z’n weerslag op Marijes relatie. ‘We zijn een goed en gelukkig team samen hoor, maar nadat ik een kind had gekregen snapte ik mensen die ‘een kind namen om hun relatie te redden’ nóg minder. Het is echt pittig, je moet niet uit het oog verliezen dat je naast ‘vader of moeder’ ook nog partner bent. En dat je relatie ook aandacht en tijd en energie nodig heeft. Ik vond dat moeilijker dan ik van tevoren dacht.’

Al met al maakte het Marije en haar vriend niet heel enthousiast om nóg een kind te krijgen. ‘We hebben het nooit echt naar elkaar uitgesproken, maar het was een wederzijds gevoel. Zo van: het is wel even goed zo.’ Overigens wil Marije er wel bij zeggen: de opties staan nog open, maar voor nu kiest ze voor één. ‘Maar dat idee van dat je twee kinderen móét hebben? Nee. Dat heb ik niet zo.’ Haar omgeving daarentegen… ‘Mijn directe vrienden en familieleden weten het allemaal wel, maar mensen die ik dan via-via ken, die vragen soms wel wanneer er een tweede komt. Dan denk ik echt: wat vráág je nou aan mij? Dat is toch heel erg privé?’

Een écht gezin

Waar Marije zich ook wel aan kan ergeren: mensen die zeggen dat een stel met één kind gewoon ‘een stel met een kind is’, en als er dan een tweede bij komt, dán is het ineens een gezin. ‘Ik ben weleens getuige geweest van twee moeders die dat tegen elkaar zeiden, instemmend, en ze leken zich niet echt te realiseren wat ze dan zeggen over míjn gezin?’ Ook veel gezegd: het is zielig voor een kind om geen broertje of zusje te hebben. ‘Och, ik heb het vaak gehoord,’ zegt Marije. ‘Maar volgens mij is Saar een gelukkig meisje. En ik denk ook: als ík nou geen tweede kind wil en het toch doe, word ik denk ik best ongelukkig. Daar hebben mijn kinderen dan toch niets aan?’

Lees ook: Enig kind; gelukkig of ongelukkig?

Broer of zus

Journalist Lynn Berger onderzocht het tweede kind-fenomeen en schreef er een boek over: De Tweede. Wat blijkt? Hoewel mensen wijd uiteenlopende redenen hebben om een eerste kind te willen krijgen – bijvoorbeeld omdat ze graag het ouderschap willen beleven, graag iets willen nalaten, een kind willen zien opgroeien – zijn de redenen om een twééde te krijgen een stuk eenduidiger. We denken met z’n allen toch wel vaak en sterk dat het goed is voor kinderen om een broer of zus te hebben. Berger haalt Amerikaans onderzoek aan dat in de jaren 50 werd uitgevoerd, waarin wetenschappers aan ouders vroegen waarom ze een tweede kind zouden willen. Berger: ‘De onderzoekers dachten eigenlijk van tevoren dat het antwoord vooral zou zijn: “Ik vind het gewoon heel leuk om kinderen te hebben.” Maar het meest gegeven antwoord was: zodat de eerste geen enig kind is. Het idee dat het beter is op te groeien met broer of zus dan zonder leeft nog steeds heel sterk in onze samenleving,” stelt Berger. Zelf heeft ze twee kinderen en beschrijft ze in haar boek hoe haar schoonvader vroeg ‘wanneer er een tweede kwam’, toen haar dochter acht maanden oud was. “Want anders is het toch zielig voor haar,” had hij ook nog gezegd. ‘Toen dacht ik wel: ik wéét nog helemaal niet of ik een tweede wil, en als we het bij één kind houden, weet ik nu voor de rest van mijn leven dat mijn schoonvader dat sneu vindt.’

Ook psychologen deden in het verleden dergelijke uitspraken. Zo bedacht de Amerikaanse psycholoog Granville Stanley Hall meer dan een eeuw geleden de term ‘enigkindsyndroom’ in het leven: de verzamelnaam voor alle minder mooie eigenschappen die aan enig kinderen zouden kunnen worden toegeschreven. Volgens hem was het zijn van een enig kind ‘een ziekte op zichzelf’. Over China, waar jarenlang een eenkindpolitiek werd gevoerd, wordt weleens gesproken van het ‘kleinekeizersyndroom’, waarmee ook werd verwezen naar het idee dat enig kinderen verwende prinsjes zijn.

Niet minder sociaal

Harde woorden. Hamvraag: kloppen ze? ‘Nee,’ zegt psycholoog en emeritus hoogleraar pedagogiek Louis Tavecchio. ‘Natuurlijk, het hebben van een broer of zus behoort tot de langste relaties van je leven. Als die band goed is, is het prettig. Maar niet zelden zijn er strubbelingen, ruzies, mensen die elkaar pijn doen of uit elkaar groeien. Het hebben van twee kinderen is echt geen garantie dat dit altijd positief is en dat broers en zussen een verrijking in elkaars leven zijn.’ Amerikaanse wetenschappers analyseerden meer dan honderd eerdere studies naar enig kinderen, en keken daarbij ook naar hun mentale welzijn. Belangrijke vondst: er werden in al die onderzoeken geen verschillen gevonden tussen angstklachten of het zelfvertrouwen van volwassenen mét broers of zussen, of volwassenen zónder. Daarnaast liet de analyse van de Amerikaanse onderzoekers zien dat enige kinderen beter scoren op IQ-testen en betere schoolresultaten behaalden dan leeftijdsgenootjes met een of meerdere broers of zussen. Kinderen met maar één jongere broer of zus, bleken even intelligent te zijn als hun oudste. Nuance: hoe ouder de kinderen werden, hoe minder het verschil in intelligentie werd.

Het argument dat kinderen socialer worden van opgroeien met een broer of zus, bestrijdt psycholoog Tavecchio ook. ‘Tegenwoordig worden baby’s soms al vanaf een half jaar naar de crèche gebracht, en er zijn peuterspeelzalen, sportclubs, scoutinggroepen, speelveldjes in de wijk, noem maar op. Genoeg plekken waar een kind kan socialiseren, en dan ook nog eens met leeftijdsgenootjes waar het kind zélf mee kennismaakt, en kan uitkiezen. Socialer kan niet, lijkt me.’

Narcistisch? Nee hoor

Duitse wetenschappers publiceerden in september vorig jaar in het wetenschappelijke tijdschrift Social Psychological and Personlity Science een onderzoek waarin ze 500 mensen ondervroegen over alle clichés van enig kinderen. Het meest voorkomende: ze zouden narcistisch zijn. Om dat te checken, werd het karakter van 1800 mensen bekeken. Daaruit concludeerden de wetenschappers dat enig kinderen juist nét iets minder narcistische trekjes hebben dan mensen met broers of zussen. Daarnaast stelden psychologen van de University of Memphis in 2002 na onderzoek dat enig kinderen op de lagere school net zo veel vriendjes hebben als anderen. En die vriendschappen zijn ‘even kwalitatief’, aldus de wetenschappers.

En ja: kinderen kunnen verwend worden, als ze alle aandacht en cadeaus krijgen van pappie en mammie. ‘Maar dat kan ook met twee of meer kinderen,’ stelt Tavecchio. ‘Ik denk dat de kwaliteit van de opvoeding belangrijker is en meer doet met je kind dan het aantal broers of zussen.’ ‘We moeten af van dat idee dat één kind zielig of verwend is,’ zegt Marije. ‘Saar zit soms wel een beetje te sikkeneuren hoor, dat ze een broertje of zusje mist, en dan zeurt ze wanneer ze er eentje krijgt. Maar dan leg ik haar uit dat wij heel gelukkig zijn met haar, en dat ze nu niets hoeft te delen, en dat er ook geen ruzies zijn op de achterbank als we op vakantie gaan. En dan ziet ze ook wel in dat het bij haar neefjes en nichtjes toch ook vaak wel ruzie is. We hebben nu een hond, een labrador, en die noemt Saar nu ‘haar zusje’. En verder is ze heel sociaal met vriendjes en vriendinnetjes, en ja: ze kan prima snoep of speelgoed delen.’

Waarom wél?

Ook Geertje Boekhouder (34) heeft bewust één kind. Vanaf dat die ongeveer 2 jaar was, kwamen de vragen. Op verjaardagen. Op het schoolplein. In de speeltuin. ‘Misschien dat die vraag minder pijnlijk was geweest als het onze eigen keuze was, maar de keuze is voor mij gemaakt,’ vertelt Geertje. Omdat ze een auto-immuunziekte heeft en daarvoor bloedverdunners krijgt om trombose tegen te gaan, is ze heel ziek geworden na de bevalling. Ze belandde op de intensive care. ‘In het begin wilde ik mensen na zo’n vraag echt toeroepen: het is geen vanzelfsprekendheid!’ Inmiddels is ze expert en weet ze hoe ze moet antwoorden. Op haar site Lifesabout.nl blogt ze erover.

‘Ik zeg eerlijk dat het mij niet gegeven is vanwege mijn ziekte,’ vertelt ze. ‘Dan voelen ze zich ongemakkelijk, maar ja: het is ook een ongemakkelijke vraag.’ Geertje adviseert ook om de bal terug te kaatsen. Als mensen zeggen ‘waarom niet?’, kun je gewoon zeggen: ‘Waarom wel?’ ‘Wat mij hielp, was aangeven dat ik heel blij ben met mijn gezin zoals het nu is.’ Verder, open deur maar wel een helpende: loslaten. ‘Ik heb wel geleerd om niet boos te worden. Zoiets kost alleen maar energie die je beter ergens anders in kan steken.’ In je fijne eenkindgezin, bijvoorbeeld. Inmiddels staan zowel moeder Monique als Marije niet meer met hun mond vol tanden als hen wordt gevraagd waar hun tweede kind blijft. Monique: ‘Ik vind het nog steeds een brutale vraag, maar ik kan nu heel goed uitleggen dat met één kind ons gezin al af is. Zo voelt het ook echt.’

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine –  Auteur: Lisanne van Sadelhoff, Beeld: Unsplash

Artikelen van Ouders van Nu ontvangen in je mailbox?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.