‘Tijdens de zwangerschap van mijn oudste (inmiddels 8 jaar), had ik een heel positief beeld van ouderschap.
Voor zijn geboorte hadden we, mijn ex-partner en ik, alles goed geregeld. Opa’s en oma’s woonden in de buurt en wilden graag oppassen en mijn ex-partner had een papadag.
Vele helpende handen
Ik voelde een stevig vangnet om op terug te vallen en de babytijd verliep zoals ik het verwachtte. Natuurlijk was het ook pittig, maar door die vele helpende handen kon ik de zorg goed verdelen en voelde ik me eigenlijk nooit alleen.
Achteraf gezien denk ik: wat was ik een bofkont met zo veel mensen om me heen, waarom maakte ik er niet nog meer gebruik van? Gewoon, om wat vaker een moment voor mezelf te hebben.
Logeren, een extra oppasdag, ik hield het allemaal af omdat ik het zelf wilde doen, omdat ik vond dat dat zo hoorde.
Lees ook: 10 goede voornemens die elke aanstaande ouder zou moeten hebben
Niet alleen
Jaren later pas, toen mijn zoon ouder werd, dacht ik pas: jeetje, ik doe onnodig veel alleen. Dat hóéft helemaal niet. Die les nam ik mee tijdens de zwangerschap van de tweede (inmiddels 1,5 jaar), de dochter die ik met mijn huidige vriend kreeg.
Ik zou het anders aanpakken, meer gebruikmaken van hulp die aangeboden werd. Dat zou me meer rust opleveren en bovendien leuk zijn voor de kinderen, omdat betrokkenheid van anderen ook heel waardevol is.
Weg vangnet
De eerste zes weken waren een roze wolk. Mijn vriend was thuis, we deden het samen en ik genoot met volle teugen. Over de periode daarna dacht ik: we zien wel hoe het loopt, ik kan het wel.
Toch kwam ik al snel in de knel, omdat het enorme vangnet dat ik had bij de komst van de eerste er niet meer was. De familie van mijn vriend woont ver weg en door zijn werk in de binnenvaart, is hij steeds een week van huis en dan weer een week thuis.
Mijn eigen ouders zijn inmiddels ouder, waardoor ik ze niet meer kan vragen om hele dagen op te passen. Vrienden hebben zelf ook jongere kinderen, waardoor ik me bezwaard voel om hulp te vragen.
Lees ook: Drie moeders over de mental load: ‘Ik dacht, dit kan ik niet mijn hele leven blijven doen’
Ploeteren achter de voordeur
Achter de voordeur ploeterde ik in mijn eentje. Niet minder, maar nog veel meer dan toen de eerste geboren werd. Het werd een opeenstapeling van dingen: slechte nachten, op en af alleen zorgen voor de kinderen. De jongste was niet makkelijk en had veel aandacht nodig, waardoor de oudste weer tekortkwam.
Ik voelde me alleen, overbelast en schuldig. Ook had ik het idee dat ik het niet goed deed, het lukte me niet om de moeder te zijn die ik zo graag wilde zijn.
Zelf realiseren
Is dit het dan? Hoe kom ik hier doorheen? Wie vraag ik om de oudste naar zwemles te brengen als de jongste ziek is? Bij wie kan ik mijn hart luchten? Iedereen roept: ‘it takes a village to raise a child’, maar waar is dat dorp dan?
Toen ik die gedachten begon uit te spreken naar anderen en ik merkte dat ik dat anderen mijn gevoel herkenden, ontstond het idee om zelf zo’n vangnet te realiseren voor ouders die daar behoefte aan hebben.
Lees ook: It takes a village: moeten we opvoeden niet veel meer als gezamenlijke taak zien?
Mijn village
Eind maart opent mijn village, stichting The Village van Nu, een huiskamer in Doetinchem waar ouders, kinderen en opa’s en oma’s elkaar kunnen vinden. Om samen koffie te drinken of even op adem te komen en waar de kinderen kunnen spelen. Om het allemaal niet zo alleen te doen, maar samen.’