‘Mama, wil je tegen de juf zeggen dat ik geen soep wil eten?’ Die zin werd zes weken lang bijna elke ochtend herhaald op weg naar school. Het ene kind huilt in de eerste weken na de vakantie bij het afscheid, het mijne leek een complete sopa-gate te hebben ontketend.
Voor de context: mijn zoon (4) en ik wonen in Portugal. Vorig jaar maakte hij de overstap van de crèche naar de pre-escolar, vergelijkbaar met onze kleuterklas. Hij bleef op dezelfde school en een aantal vriendjes uit zijn crèchegroep ging met hem mee. Hij was altijd dol geweest op de crèche. Het verbaasde me dat de overgang naar de pre-escolar een stuk minder soepel (al dan niet vrij dramatisch) verliep.
Net als op de crèche krijgt hij op school een warme lunch: soep, een hoofdgerecht en fruit. Alleen werd de soep ineens een gigantisch ding. Mijn reactie was eerst vrij simpel: alle kinderen eten samen soep. Ik kan moeilijk op school verkondigen dat mijn kind dat als enige niet hoeft en iets anders wil. Bovendien waren het de eerste weken van het schooljaar. Hij moest waarschijnlijk gewoon wennen. Toch begon het na een tijdje te knagen. Moest ik niet ingrijpen? Of was ik dan die bemoeizuchtige moeder?
Lees ook: Wat moet een kind kunnen voor de basisschool?
De Gouden Weken
‘Die eerste weken van een nieuw schooljaar worden in het onderwijs de Gouden Weken genoemd. Een groep moet zich opnieuw vormen en iedereen zoekt zijn plek. Ook een andere klas, nieuwe leerkrachten of een veranderde groepssamenstelling kunnen veel impact hebben.
Onderwijsprofessional Michiel Masselink houdt zich veel bezig met de samenwerking tussen ouders en school. Volgens hem mogen we best accepteren dat zo’n nieuwe start soms schuurt. Voor een kind, maar ook voor de ouder zelf. ‘Weerstand hoort bij opgroeien. Een kind hoeft niet elke dag vrolijk naar school te gaan. De vraag is niet meteen: waarom huilt mijn kind? Maar: wat vertelt dat huilen mij?’
Lees ook: Prestatiedruk onder kleuters: ‘Onbewust nemen kinderen het gedrag van ouders heel snel over’
De interventie
Ik vertrouwde op mijn moedergevoel en besloot in te grijpen. Ik kon niet precies achterhalen waar het probleem zat. Ik stuurde zijn juf een mail. Haar reactie: Annemarie, waarom heb je dit niet eerder aangekaart? Ze reageerde begripvol en ging er meteen mee aan de slag.
Ze hielden de situatie tijdens de lunch in de gaten en wat bleek? Het ging hem helemaal niet om die soep. De kinderen eten gezamenlijk en een van de juffen bleek hem te helpen met eten, terwijl ze dat bij de andere kinderen niet deed. Dat wilde hij duidelijk niet. Vanaf dat moment mocht zij hem onder geen beding meer helpen. Tot op de dag van vandaag is ze ‘de gemene juf’. Gelukkig verstaat ze geen Nederlands.
Achteraf was ik vooral blij dat ik iets had gezegd. Waarom had ik daar in hemelsnaam zes weken mee gewacht? Sopa-gate werd met één mail opgelost.
Kijk naar het patroon
Volgens onderwijsprofessional Masselink is dat precies het lastige voor ouders. Je wilt je kind serieus nemen, maar ook niet elk ongemak voor hem oplossen. Zeker jonge kinderen kunnen soms heel duidelijk laten merken dát er iets speelt, zonder precies te kunnen vertellen wát er aan de hand is. Hij gebruikt daarvoor een simpele indeling:
- 1
Is gedrag incidenteel? Geef het ruimte.
- 2
Komt het regelmatig terug? Word nieuwsgierig.
- 3
Blijft het aanhouden? Ga het gesprek met school aan.
‘Als iets een patroon wordt, moet je jezelf afvragen: wat vertelt dit gedrag mij?’ Dat betekent volgens hem niet dat je meteen met een klacht naar school hoeft te stappen. Sterker nog, hij raadt juist aan om niet zelf de oorzaak alvast in te vullen. Zeg bijvoorbeeld: ‘Ik signaleer dit thuis en ben nieuwsgierig: hoe is het in de klas?’
Thuis ken jij je kind het beste, maar je weet niet hoe het zich gedraagt als jij er niet bij bent. De leerkracht ziet juist weer een andere kant. Hoe reageert je kind in een groep? Wanneer trekt het zich terug? Gebeurt bepaald gedrag bij één specifieke medewerker, tijdens het eten of juist als oudere kinderen in de buurt zijn? Door die informatie bij elkaar te leggen, ontstaat een completer beeld.
Lees ook: Praten over school: met deze 25 tips vertelt je kind meer
Betrokken of bemoeizuchtig?
Daar zat voor mij misschien wel de grootste twijfel. Ik kom uit een generatie waarin je ouders niet om het minste of geringste naar school gingen en je bij problemen vaak advies kreeg met een ‘hoppa, nu ga je het zelf even oplossen’. Ergens geloof ik daar nog steeds in. Kinderen moeten leren voor zichzelf op te komen en problemen zelf op te lossen. Tegelijkertijd wil je niet zo lang aan de zijlijn blijven staan dat je kind uiteindelijk vastloopt.
‘Veel ouders zijn bang om de opdringerige ouder te zijn’, zegt Masselink. ‘Maar betrokkenheid is iets anders dan bemoeizucht.’ Volgens hem zit het verschil vooral in hóé je naar school stapt. Betrokken zijn betekent dat je signaleert, vragen stelt en samen met school probeert te begrijpen wat er aan de hand is. Bemoeizucht ontstaat eerder wanneer je zelf al hebt bepaald wat het probleem is en vervolgens ook voorschrijft hoe school het moet oplossen.
Masselink hamert daarom op wat binnen het onderwijs educatief partnerschap wordt genoemd: ouders en school trekken samen op rondom de ontwikkeling van een kind. Volgens onderzoek waarnaar hij verwijst, heeft de thuissituatie voor 49 procent invloed op de ontwikkeling op school, de leerkracht voor 43 procent en de groepsgrootte voor 8 procent. ‘Je kent je kind het beste, maar wel in de thuissituatie. Hoe het op school gaat, weet de leerkracht. Daarom moet je samen optrekken.’
Zelf oplossen is niet hetzelfde als alleen oplossen
‘Een ruzie met een vriendje, huilen bij het afscheid of na school overstuur thuiskomen: als ouder wil je al snel helpen. Toch hoeft niet elk probleem meteen opgelost te worden. ‘Zelf oplossen betekent niet hetzelfde als alleen oplossen’, zegt Masselink.
‘Je kunt naast je kind staan zonder het probleem over te nemen. Luisteren, woorden geven aan wat er gebeurt en beschikbaar zijn, is soms al genoeg. Een kind mag iets moeilijk vinden. Het hoeft alleen niet eerst vast te lopen voordat je in actie komt.’
Lees ook: Wat leert mijn kind in groep 1?
Misschien hoeft het niet altijd soepel te gaan
Dat eerste schooljaar bleef een beetje rommelig. Regelmatig vroeg ik me af: past deze school eigenlijk wel bij ons? Tot ik besefte dat ik zelf ook best veel van mijn zoon vraag. We reizen veel en na een paar weken Nederland verwacht ik dat hij weer moeiteloos zijn Portugese school binnenstapt, waar ze zijn eerste taal niet spreken. Misschien is het dus helemaal niet gek dat het soms schuurt.
Dat betekent niet dat ik ieder naar gevoel voortaan afdoe met: hij moet gewoon wennen. Sopa-gate heeft me juist geleerd dat iets wat voor mij klein of onzinnig lijkt, voor hem iets heel anders kan betekenen.
Het blijft zoeken: wanneer laat ik hem zelf iets oplossen en wanneer ga ik naast hem staan? Waarschijnlijk blijft dat ieder schooljaar opnieuw aftasten. We zullen zien wat het nieuwe schooljaar brengt.