hechtingsproblemen

Hechtingsproblemen, hoe herken je ze?

Veruit de meeste Nederlandse kinderen zijn ‘veilig gehecht’. Maar wat betekent het als je kind hechtingsproblemen heeft? Hoe herken je dat en is er wat aan te doen.

Wat zijn hechtingsproblemen

Met hechting wordt de wederzijdse band tussen een kind en zijn ouders of verzorgers bedoeld. Deze band ontstaat al tijdens de zwangerschap. Een kind hecht zich in zijn eerste jaren meestal aan zijn ouders en een paar andere mensen, zoals bijvoorbeeld opa’s en oma’s of een buurvrouw die vaak oppast. Op welke manier een kind ‘gehecht is’, verschilt per kind en thuissituatie. Er worden één veilige en drie onveilige hechtingsstijlen onderscheiden:

  • Veilige hechting
  • Angstige hechting
  • Ambivalente hechting
  • Vermijdende hechting

Niet elk kind dat onveilig gehecht is, heeft een hechtingsstoornis: zo’n 25 tot 30% van de bevolking heeft grote of minder grote hechtingsproblemen, en maar bij ongeveer 1% spreken we van en hechtingsstoornis.

Lees hier meer over de vier verschillende hechtingsstijlen.

Verhoogd risico op onveilige hechting

Er zijn verschillende factoren bij het kind, de ouders en de omgeving die voor een verhoogd risico op onveilige hechting zorgen:

Kind:

  • Adoptiekinderen: doordat de band met de biologische ouders bij adoptiekinderen wordt verbroken kan een trauma ontstaan. Hierdoor kunnen ze het lastig vinden om relaties aan te gaan. Deze kinderen kunnen zich in de steek gelaten voelen, waardoor hun vertrouwen een deuk oploopt. Sommige adoptiekinderen zetten zich af tegen hun adoptieouders in loyaliteit naar hun eigen ouders. Lees hier meer over de voor- en nadelen van gesloten en open adoptie.
  • Pleegkinderen: voor pleegkinderen, die vaak al een onveilige hechting hebben met hun ouders, is een uithuisplaatsing een ingrijpende gebeurtenis. Ze kunnen bang zijn voor afwijzing en zich daardoor afstandelijk gedragen.
  • Kinderen met lichamelijke gebreken of stoornissen
  • Huilbaby’s of temperamentvolle kinderen
  • Ongewenste kinderen
  • Prematuur geboren kinderen
  • Kinderen die lang in het ziekenhuis liggen
  • Kinderen met wisselende opvoeders
  • Kinderen uit gebroken gezinnen (lees ook: zo voorkom je een vechtscheiding)
  • Kinderen waarvan een of beide ouders overleden zijn (vooral als dit gebeurt op hele jonge leeftijd van het kind). Meer weten: de zorg voor je kind na je overlijden.

Ouders:

  • Ouders die zelf niet goed of onveilig gehecht zijn
  • Ouders die in hun jeugd mishandeld of verwaarloosd zijn
  • Ouders met psychische problemen of trauma’s
  • Ouders die lijden onder (onverwerkt) verdriet
  • Moeders die een moeilijke zwangerschap gehad hebben

Omgeving, bijvoorbeeld:

  • Armoede
  • Slechte woonomgeving
  • Migratie

Gedrag kinderen hechtingsstoornis

Kinderen met hechtingsproblemen vertonen vaak bepaald gedrag, zowel in het dagelijks leven als op school. Hier een aantal kenmerken die kinderen kunnen vertonen als ze een hechtingsstoornis hebben. Let op: niet alle kinderen met hechtingsproblematiek laten deze kenmerken zien en ook niet allemaal tegelijk.

Gedrag dagelijks leven:

  • Druk en chaotisch
  • Snel boos en/of agressief
  • Twee gezichten: thuis gedragen ze zich anders dan op school
  • Lichamelijk erg aanhankelijk
  • Teruggetrokken
  • Oppervlakkig in contact
  • Gespannen, nerveuze indruk
  • Manipuleren binnen relaties
  • Aantrekken en afstoten van andere kinderen
  • Weinig vaste relaties, veel vluchtige contacten
  • Wantrouwen naar volwassenen
  • Problemen met gezag

Gedrag op school:

  • Rekenproblemen
  • Beperkt inzicht in oorzaak en gevolg
  • Concentratieproblemen
  • Weinig belangstelling voor leren, de school en de toekomst
  • Wisselende of weinig motivatie
  • Faalangst
  • Gaat slordig om met materiaal
  • Moeite hebben met plannen

Omgaan met hechtingsproblemen

Het kan voor ouders of verzorgers van een kind met hechtingsproblemen of een hechtingstoornis, moeilijk zijn met ze om te gaan. Bijvoorbeeld: een kind wil niet knuffelen of wil niet geknuffeld worden en toont zelfs geen enkele affectie. Het is heel belangrijk dat je je als ouder/verzorger niet afzijdig gaat houden als dit het geval is. Blijf liefdevol met het kind om gaan. Een kind moet constant het gevoel hebben dat zijn ouders of verzorgers van hem houden en er altijd voor hem zullen zijn.

Van onveilig naar veilige hechting

Gelukkig kan een kind zich herstellen van een onveilige hechting, in elk geval tot het zesde levensjaar. Een onveilige hechtingsstijl is makkelijker te veranderen in een veilige, dan omgekeerd. Twee derde van de veilig gehechte kinderen blijft de rest van zijn leven veilig gehecht.

Na de bevalling

Je baby gaat zich al tijdens de zwangerschap aan jou hechten en omgekeerd. Maar dit betekent niet dat alle moeders direct een sterke band met hun baby voelen. Dit komt bijvoorbeeld door:

  • Je hormonen: deze zijn nog volop in verandering
  • Je bevalling: veel vrouwen hebben tijd nodig hun bevalling te verwerken, zeker als het een zware bevalling was
  • Een baby in de couveuse: het is het moeilijker een band op te bouwen met een baby die niet direct bij je is
  • Een baby die veel huilt: door het constante huilen kan het lastig zijn direct een band te voelen
  • Je verwachtingen: deze waren misschien anders dan de werkelijkheid
  • Wennen aan je nieuwe leven als moeder, dit kost tijd
  • Andere zorgen zoals over geld of ziekte

Voel je hier niet schuldig over. Het is vooral vervelend voor jou, maar het komt echt goed. Bedenkt goed waar je negatieve gevoel vandaan komt en geef jezelf de tijd. Mocht het negatieve gevoel niet overgaan, zou het kunnen dat je last hebt van een postnatale depressie. Zoek dan vooral hulp bij het consultatiebureau of je huisarts, er is namelijk een oplossing voor.

Een goede hechting bevorderen

Het eerste jaar van een kind is vrij bepalend voor de hechting. In deze periode ontwikkelt het aantal verbindingen in het brein zich namelijk razendsnel: de hersenen van een baby wegen zo’n 400 gram, op de leeftijd van één jaar is dat 1000 gram. Maar het sociale brein kan zich niet ontwikkelen als er geen interactie is. En daar heeft je baby jou voor nodig. Kijk en luister goed naar je kind. Op een gegeven moment ga je signalen herkennen en weet je wat je kind nodig heeft: een schone luier, nog een slokje melk of een dutje. Je kind raakt veilig gehecht als je:

  • Reageert en aandacht geeft op het moment dat je kind contact zoekt: als hij brabbelt of lacht
  • Zelf contact zoekt met je kind
  • Je kind voedt als hij honger heeft
  • Hem troost als hij huilt
  • Zijn luier verschoont als hij vuil is
  • Hem liefdevol knuffelt en wiegt
  • Met je kind speelt en voor hem zingt als hij dat wil
  • Laat merken dat je begrijpt waar hij behoefte aan heeft

Vaders en co-ouders

Veel partners voelen direct na de geboorte vaak nog geen hechte band met hun baby. Maak je daar niet druk om: de moeder heeft de baby al maanden gevoeld en er zo een band mee opgebouwd, voor jou begint het nu pas. Knuffel je kind, speel spelletjes en verzorg hem zoveel mogelijk, dan komt het vanzelf goed.

Dagopvang

Uit onderzoek is gebleken dat er risico’s verbonden zijn aan het op heel jonge leeftijd beginnen met veelvuldige en continue dagopvang. Een kind heeft, met steeds wisselende verzorgers en relatief weinig contact met de ouders, een grotere kans op onveilige hechting.

Dat wil niet zeggen dat je als ouders niet beide kunt (blijven) werken na het krijgen van een kind: het zit ‘m in de verdeling. Als je kind een paar dagdelen naar de opvang gaat, en er de rest van de tijd veel aandacht voor hem is, van zijn ouders en/of andere ‘hechtingsfiguren’ zoals opa, oma of een vriendin die vaak oppast, hoef je je echt niet teveel zorgen te maken. Doe je dat wel? Overleg dan eens met het consultatiebureau. Zij kunnen je goed adviseren.

Lees hier meer over de verschillende vormen van kinderopvang in Nederland.