zwanger-chemo

'Na elke chemo kreeg ik een echo. Dat hield me op de been'

Extreem blij is Esther (28) als ze ontdekt dat ze zwanger is van Patrick (40). Helaas is er niet alleen goed nieuws: ze blijkt baarmoederhalskanker te hebben.

‘Eerst lachen haar ogen. Dan pas krult haar mondje tot een glimlach. Stralend volgt ze al mijn bewegingen. Ik zie haar beentjes met de dag dikker worden en geniet van haar gezellige vetplooitjes. Het idee dat Angelina er, als het aan de artsen had gelegen, niet geweest was, maakt me nog steeds misselijk. Wat ben ik blij dat ik tóch mijn gevoel heb gevolgd.

Nieuw begin

Patrick wist al bij onze eerste ontmoeting, nu drie jaar geleden, dat ik de moeder zou worden van zijn kind. We klusten samen in het huis van mijn moeder, die een relatie had gekregen met zijn vader. Ik vond het spannend om aan een nieuwe relatie te beginnen, vooral voor mijn dochter Esmé (nu 4). Maar Patrick was zo lief en zorgzaam voor haar dat ik al snel mijn reserves liet varen.

Het voelde voor ons logisch om snel zwanger te willen worden. Dat duurde alleen langer dan we gehoopt hadden. Ook verloor ik vaak bloed na de seks. De huisarts maakte een uitstrijkje en twee weken later kreeg ik de uitslag: pap 3a2. Nog niets alarmerends, maar er moest wel vervolgonderzoek komen.

Twee dagen na de uitslag verloor ik plotseling meer bloed dan ooit. Ik schrok van alle stolsels in mijn onderbroek. Toen de dokter de volgende ochtend vroeg of ik ter plekke een zwangerschapstest wilde doen, was ik verbaasd. “Zwanger? Dat lijkt me niet,” zei ik. Maar ze kreeg gelijk: de test bleek positief. Er was alleen niets vrolijks aan, want al dat bloed betekende waarschijnlijk een miskraam. Die middag zag de gynaecoloog inderdaad een vruchtje in mijn baarmoeder, maar het was nog te vroeg om te zien of het hartje klopte. We moesten twee weken wachten. Ik voelde me vooral verdrietig, de hoop op een gezonde zwangerschap liet ik niet toe. Waarom was ik anders zo veel bloed verloren?

Lees ook: ‘Huidkanker, MS, borstkanker; in m’n hoofd heb ik alles gehad’

Goed nieuws, slecht nieuws

De dag van de echo brak aan. Ik verwachtte er niets van, maar op het moment dat de gynaecoloog mijn buik insmeerde met gel, greep ik Patricks hand gespannen vast. “Zien jullie dat knipperlichtje?” vroeg de gynaecoloog. “Er groeit wel degelijk een baby daarbinnen!” We waren overdonderd: zo blij! Patrick en ik belden iedereen die we kenden om het goede nieuws te delen. We kochten meteen het eerste rompertje en vertelden Esmé dat ze grote zus zou worden. Het vervolgonderzoek van het uitstrijkje zat nog wel in mijn achterhoofd, maar dat duurde nog vijf weken en hoe erg kon het zijn? Ik voelde me kerngezond én was zwanger!

Ik lag ongemakkelijk op een harde tafel bij de dokter met een eendenbek tussen mijn benen. Ik was als de dood dat de arts een miskraam zou veroorzaken, terwijl ze met haar handen naar binnen ging. Zelfs toen ze met een serieus gezicht zei: “Het ziet er onrustig uit. Ik ben bang dat het niet goed is,” besefte ik niet wat dat kon betekenen. Ik was alleen maar met de baby bezig. Als het daar maar goed mee ging. Een week later moest ik naar het ziekenhuis voor de uitslag. Vrolijk stapte ik met mijn moeder de spreekkamer binnen. De gynaecoloog viel meteen met de deur in huis: “Het is niet goed. Je hebt baarmoederhalskanker.” Zijn woorden drongen totaal niet tot me door. Pas toen hij zei: “Hou er rekening mee dat we je zwangerschap moeten afbreken,” drong door hoe ernstig het was. “Dat gaat niet gebeuren,” zei ik meteen.

Uit een MRI-scan bleek dat mijn tumor aan de grote kant was, maar ik had negenennegentig procent kans op overleven wanneer mijn baarmoeder, inclusief kind, onmiddellijk zou worden verwijderd. Mijn hele lijf verzette zich tegen deze uitkomst. Misschien was het een voorgevoel, mijn moederinstinct of was ik gewoon naïef: geen idee. Maar voor mij was het helder, het ging gewoon niet gebeuren. “Is er een andere optie?” vroeg ik.

Die was er wel, maar daar stonden de artsen niet achter. Ze konden mijn lymfeklieren verwijderen en kijken of deze schoon waren. Als er geen uitzaaiingen waren, zou chemo tijdens de zwangerschap ook een optie zijn. De baby zou dan met tweeëndertig weken gehaald worden en onmiddellijk daarna zou mijn baarmoeder verwijderd worden. Mijn overlevingskansen waren daarmee onbekend, omdat de behandeling bij zwangere vrouwen uitzonderlijk was. “Het is toch het állerbelangrijkste dat jij je dochter Esmé ziet opgroeien?” zei de arts. “Waarom zou je dat riskeren?” Die opmerking hakte erin. Alsof ik moest kiezen tussen twee kinderen.

Onmogelijke keuze

Ik kreeg een week bedenktijd. Patrick en mijn ouders smeekten me om voor mijn gezondheid en Esmé te kiezen. Ik werd verscheurd door twijfels. Natuurlijk wilde ik Esmé niet zonder moeder laten opgroeien, maar mijn gezonde, vijftien weken oude baby laten weghalen, kreeg ik niet rond in mijn hoofd. Ook omdat dit mijn laatste kans op een zwangerschap was. Tot frustratie van mijn familie en de artsen koos ik ervoor om mijn lymfeklieren te laten verwijderen. Ik móést weten of ze schoon waren, of de mogelijkheid van een andere behandeling überhaupt bestond. Anders zou ik mijn leven lang blijven zitten met een schuldgevoel. Met de vraag: wat als…

Even was ik bang dat ik de verkeerde keuze had gemaakt. Vlak voor de operatie, toen ik een narcose kreeg, miste ik Esmé verschrikkelijk. Ik had nog nooit een nacht zonder haar geslapen. Al vanaf de geboorte lag ze naast me. Haar ademhaling en warme lijfje waren een deel van mij. Wat als ik niet meer wakker zou worden? Gelukkig ging de operatie goed en toen ik weer bijkwam, stond er een duidelijk opgelucht team artsen aan mijn bed. Vijf dagen later kregen we de uitslag: geen uitzaaiingen. Ik kon dus, zeventien weken zwanger, beginnen aan de chemo, zonder afscheid te hoeven nemen van mijn baby.

Knipperlichtje

Chemotherapie tijdens de zwangerschap is mogelijk. Er komt van de medicijnen maar één procent terecht bij de placenta. Honderd procent zekerheid geven artsen je natuurlijk nooit, maar de risico’s voor de baby noemden ze heel klein. Daar legde ik me met een gerust hart bij neer. Toen ik koos voor de behandeling waren de artsen gelukkig meegaand en probeerden ze me niet meer op andere gedachten te brengen. De periode daarna was vol ups en downs, want ik was er nog lang niet. De chemo’s duurden eindeloos. ’s Ochtends vroeg werd ik in een zaaltje vol stoelen en bedden aan het infuus gekoppeld en daar zat ik ’s avonds vaak nog. Soms met Patrick, dan weer met mijn moeder.

Ik probeerde te slapen, maar dat lukte nooit, dus ik keek een beetje op mijn telefoon en kletste af en toe wat. Terwijl de vloeistof mijn lijf binnen druppelde, staarden andere patiënten naar mijn dikke buik. Zwanger en kanker was voor veel mensen een vreemde combinatie. Zelf kon ik het los van elkaar zien. Wanneer ik thuis was, streelde Patrick over mijn buik of wilde Esmé voelen of de baby schopte. Daar genoot ik van. Ik kon de chemo’s volhouden omdat er elke keer aan het einde van de dag een echo gemaakt werd. De gynaecoloog wilde de groei van de baby goed in de gaten houden, omdat chemotherapie heel soms een groeiachterstand kan veroorzaken. Dan zagen Patrick en ik ons kind bewegen. Het vertrouwde knipperlichtje hield me op de been.

Ik werd steeds zieker na de chemo’s. Op het moment dat mijn haar begon uit te vallen, besefte ik pas echt hoe zwaar mijn lijf het had. Ik voelde me lelijk en kon niet meer naar mezelf in de spiegel kijken. Als ik op straat blozende zwangere vrouwen zag lopen, voelde ik een steek in mijn buik. Waarom mocht ik niet honderd procent genieten van deze periode? De twintig-weken-echo was goed en de baby leek nergens last van te hebben, maar steeds vaker maakte ik me vreselijk zorgen. Wat als de baby wél iets aan de chemo zou overhouden? Mijn placenta lag voor in mijn buik, waardoor ik bewegingen minder goed voelde. Ik denk dat ik de verloskundige wel twintig keer gebeld heb uit angst dat het hartje niet meer klopte. Ik was natuurlijk allang medisch geworden en liep bij de gynaecoloog, maar mijn oude verloskundige stond nog altijd klaar en zelfs op zondag maakte ze graag een echo om me gerust te stellen.

Opluchting

Ik zou zes chemo’s krijgen voordat de baby gehaald werd, maar na de vijfde behandeling was ik op. Ik kon alleen nog maar huilen. Mijn ouders en Patrick namen de verzorging van Esmé helemaal over. Ik kon niet meer lopen, zitten: zelfs praten kostte moeite. Emotioneel lag ik er helemaal af. Ik voelde me vreselijk schuldig naar Esmé. Ik kon niet eens met haar in de tuin spelen, laat staan helpen bij activiteiten op school. Mijn gynaecoloog vond het niet verstandig dat ik nog een chemokuur kreeg, ik moest ook de keizersnee nog doorstaan. Mijn tumor was nog niet volledig verdwenen, maar toch kozen de artsen ervoor om de baby pas met zesendertig weken te halen. Dat was voor iedereen het beste en zo kon ik nog wat op krachten komen voor de keizersnee.

Op de dag van de keizersnee nam ik stiekem afscheid van Esmé. Ik was ineens zo bang dat ik het niet zou halen. Tegelijkertijd voelde ik opluchting, want het eindeloze wachten was voorbij. Ik herinner me alleen nog vlagen van de geboorte. Het getrek aan mijn buik, de blauwe doek die naar beneden kwam en kleine Angelina die met haar handjes naar mijn gezicht greep. Tijd om haar vast te houden, was er niet, want ik ging meteen onder narcose, omdat mijn baarmoeder verwijderd werd. Toen ik wakker werd, vroeg de anesthesist: “Hoe voel je je?”. “Dat weet ik niet,” riep ik. “Ik wil nu naar mijn kinderen!” Ik werd met bed en al naar mijn kamer gereden. Aan het einde van de gang zag ik Esmé staan. Ik zag niet meer dan haar gestalte, want ik had geen bril op, maar de tranen rolden over mijn wangen. Zo opgelucht was ik. Te moe om haar aan te raken, kon ik alleen maar glimlachen. Daarna legde iemand Angelina bij me. “Had ik jou moeten laten weghalen?” dacht ik. Daarna viel ik in een diepe, tevreden slaap.

De weken daarna waren niet makkelijk. Patrick, de kraamhulp en mijn ouders hielpen fantastisch, maar de slapeloze nachten in combinatie met mijn herstel waren heftig. Nog steeds, vijf maanden na de geboorte, voel ik me moe: alsof mijn lichaam kapot is. Ik ben inmiddels schoon verklaard, maar er is nog een lange weg te gaan. Dat neemt niet weg dat ik helemaal verliefd ben op Angelina. Vaak moet ik huilen als ik naar haar fijne gezichtje kijk. Het idee dat ik haar misschien nooit gekend had, maakt me gek. Vooral als ik Esmé en Angelina samen zie knuffelen, voel ik me trots. Misschien heb ik gewoon geluk gehad, wie zal het zeggen. Ik weet nog steeds niet hoe groot het risico is dat ik genomen heb. Maar daar wil ik niet langer over nadenken. Ik ga genieten van mijn twee gezonde dochters.’

Persoonlijk: Arjan verloor de moeder van zijn dochter aan een postnatale depressie

Beeld: Shutterstock