heupdysplasie

Heupdysplasie bij baby’s en kinderen

Het consultatiebureau controleert regelmatig de heupfunctie en beenlengte van je kind. Er wordt gecheckt of er misschien sprake is van heupdysplasie: een veel voorkomende afwijking bij baby’s en kinderen. Wat is heupdysplasie en wat zijn de mogelijke gevolgen van deze heupafwijking?

Wat is heupdysplasie?

Heupdysplasie wordt tegenwoordig vaak Dysplastische heupontwikkeling (DHO) of Developmental Dysplasia of the Hip (DDH) genoemd. Het is een ontwikkelingsstoornis van de heup, die in verschillende gradaties voorkomt. Deze afwijking van het heupgewricht kan enkelzijdig, maar ook dubbelzijdig voorkomen. Ongeveer één op de vijftig baby’s heeft aangeboren heupdysplasie. Het heupgewricht is bij hen niet helemaal goed ontwikkeld.

Het heupgewricht bestaat uit twee delen: een heupkop en een heupkom. Normaal gesproken staat de heupkop stabiel in het midden van de kom. De heupkom omvat de heupkop zodat de kop stevig in de kom blijft zitten. Bij kinderen met heupdysplasie is de heupkom niet diep genoeg, waardoor de heupkop kan verschuiven en zelfs (deels) uit de kom kan glijden. Ook kan het heupgewricht zich door deze afwijking niet goed verder ontwikkelen.

Heupluxatie

Als de kop zover uit de kom glijdt, dat hij niet meer terug kan komen, wordt dat een heupontwrichting of heupluxatie genoemd. Doordat de kop niet stabiel in de kom zit, kan het gewricht zich niet goed ontwikkelen. Ongeveer één op de duizend kinderen heeft heupluxatie.

Jongens en meisjes

Heupdysplasie en heuplaxatie komen vier tot acht keer vaker voor bij meisjes dan bij jongens. Het kan zowel aan één van de kanten voorkomen, als aan beide kanten. Het komt vaker voor bij de linkerheup dan de rechterheup: dit komt door de houding van veel kinderen in de baarmoeder, waarbij de linkerkant van het lichaam meer gestrekt is dan de rechterkant.

Oorzaak van heupdysplasie bij jonge kinderen

Wat precies de oorzaak is van heupdysplasie, is niet bekend. Artsen denken dat het te maken heeft met slappe kapsels en banden van de heup, in combinatie met de lighouding van je baby in de baarmoeder.

Wel is duidelijk dat er een aantal factoren zijn die de kans op heupdysplasie kan vergroten:

  • Erfelijkheid speelt een rol: als er heupdysplasie in de familie voorkomt, is de kans vijf keer groter dan normaal dat je baby er ook mee te maken krijgt.
  • Bij baby’s die in stuitligging in de baarmoeder hebben gelegen of in stuitligging geboren zijn, is de kans op heupdysplasie groter.
  • Ruimtegebrek in de baarmoeder zou ook van invloed zijn: bijvoorbeeld een wat krappere baarmoeder, weinig vruchtwater waardoor je kind minder vrij kan bewegen of bij meerlingenzwangerschappen.
  • Ook komt heupdysplasie vaker voor in combinatie met andere aangeboren afwijkingen, zoals een klompvoetje.

Erfelijk

Omdat erfelijkheid een rol speelt bij heupdysplasie, is het verstandig om heupproblemen in je familie door te geven aan je verloskundige, huisarts of bij het consultatiebureau. Bij controles zal hier waarschijnlijk ook naar gevraagd worden. Heeft een van je ouders, broers, zussen of jijzelf als kind in een spreidbroek gezeten? Of hebben familieleden op jonge leeftijd al artrose aan de heup gehad? Geef dit dan door, dan wordt je kind na de geboorte extra gecontroleerd op mogelijke afwijkingen.

Heupen baby onderzoeken

Omdat heupdysplasie een vrij veel voorkomende afwijking is, word elke baby hier goed op gecontroleerd. Dat gebeurt direct na de geboorte voor het eerst. Je verloskundige of gynaecoloog checkt of de beentjes van je pasgeboren baby goed naar buiten kunnen buigen. Ook worden de benen van je kind voorzichtig gestrekt, om te zien of ze even lang zijn, de knieën op gelijke hoogte zitten en of de bilplooien en de plooien aan de binnenkant van de benen symmetrisch zijn. Dit zijn namelijk aanwijzingen dat er mogelijk sprake is van heupdysplasie.

Ook in de maanden daarna worden de heupen van je kind in de gaten gehouden. Het is een van de vaste checks die ze op het consultatiebureau uitvoeren. De arts kijkt wederom of de benen goed naar buiten gespreid kunnen worden en of ze symmetrisch zijn. Als er bij een van deze onderzoeken iets afwijkends wordt gezien, wordt je doorverwezen naar je huisarts of het ziekenhuis voor verder onderzoek.

Heupdysplasie bij je kind herkennen

Door de regelmatige controles wordt heupdysplasie in de meeste gevallen op het consultatiebureau ontdekt. Het is best lastig om het zelf bij je kind te herkennen, maar er zijn een paar aanwijzingen waarop je kunt letten:

  • als het ene been van je kind langer is dan het andere been.
  • als de knieën op ongelijke hoogte lijken te zitten.
  • als je bij het verschonen merkt dat je het ene been minder ver kunt spreiden dan het ander, of dat de ene heup wat stijver is dan de andere kant.
  • als je baby op zijn buik legt, kan het opvallen dat de bilplooien en/of de plooien aan de binnenkant van de bovenbenen niet symmetrisch zijn.
  • als je kind al loopt, kan hij een beetje mank of waggelend lopen of trekken met zijn been, soms met een opvallend holle rug.

Merk je een van bovenstaande symptomen op? Vertel dit dan tijdens je bezoek aan het consultatiebureau of ga naar de huisarts om het te laten controleren. Overigens hebben heel veel kinderen niet symmetrische bilplooien, dit hoeft dus niet te betekenen dat je kind heupdysplasie heeft.

Enkel- en dubbelzijdige heupdysplasie

Meestal komt heupdysplasie maar aan een kant voor, maar sommige kinderen hebben heupdysplasie aan beide kanten. Dubbelzijdige heupdysplasie is meestal moeilijk te herkennen, omdat er dan vaak geen duidelijk verschil zichtbaar is tussen beide benen. Om die reden worden kinderen met een verhoogd risico op heupdysplasie – bijvoorbeeld door een stuitligging, of als het in de familie voorkomt – uit voorzorg extra gecontroleerd op afwijkingen aan de heupen. Meestal wordt dit door middel van een echo gedaan bij kinderen tot zeven maanden. Is je kind ouder, dan wordt eerder gekozen voor een röntgenfoto om een beter beeld te krijgen.

Mogelijke gevolgen

Heupdysplasie en heupluxatie zijn niet pijnlijk voor jonge kinderen. Toch is het belangrijk dat het tijdig ontdekt en behandeld wordt. Als het gewricht niet hersteld wordt, kan je kind op vroege leeftijd (vaak rond z’n dertigste) artrose (slijtage) aan de heup krijgen. Dat komt doordat het kraakbeen van het heupgewricht op een verkeerde manier belast wordt en daardoor sneller slijt.

Andere mogelijke gevolgen zonder behandeling zijn:

  • als je kind is uitgegroeid, kan er een lengteverschil zijn tussen de benen, waardoor hij problemen kan ervaren tijdens het sporten of een verkeerde houding heeft of afwijkend loopt.
  • als tiener of jongvolwassen kan hij pijn krijgen aan de lies of bil, of aan zijn bovenbeen, knie of rug. Met name bij liesklachten is het belangrijk om alert te zijn. Deze klachten duiden vaak op problemen in het heupgewricht.
  • je kind kan mank of waggelend gaan lopen.
  • ook kan je kind op latere leeftijd vermoeidheidsklachten krijgen.

Vermoeden heupdysplasie

Als er tijdens de controle na de geboorte of later op het consultatiebureau een vermoeden van heupdysplasie is, zal je eerst naar de huisarts of kinderfysiotherapeut worden gestuurd. Hij zal de heupen van je kind nogmaals bekijken en je eventueel doorverwijzen naar het ziekenhuis voor een echo of röntgenfoto. Bij jonge baby’s wordt er gekozen voor een echo, maar vanaf zeven maanden geven röntgenfoto’s een beter beeld.

Een arts zal op de echo of röntgenfoto kunnen zien of de heupkommen diep genoeg zijn, of dat er inderdaad sprake is van een heupafwijking is. In het geval van een afwijking wordt je doorverwezen naar een orthopedisch chirurg, die je kind verder zal behandelen en onder controle zal houden.

Behandeling

Hoe heupdysplasie behandeld wordt, verschilt per kind. Bij een milde vorm, of als je kind jonger is dan drie maanden is, kan het voldoende zijn om de verdere ontwikkeling van de heupen nog even af te wachten. Je kind blijft dan onder controle en er zal af en toe een echo gemaakt worden om te checken of de heup zich goed ontwikkelt.

In de meeste gevallen van heupdysplasie moeten de heupen van je baby in spreidstand ‘gefixeerd’ worden, met behulp van een ‘spreidhulpmiddel’. Deze behandeling zorgt ervoor dat de heupkoppen weer stabiel in het midden van de heupkommen komen te staan. De ideale houding hiervoor is als de benen van je kind gespreid zijn. De heupkop drukt dan namelijk in de heupkom. Dit geeft een groeiprikkel af, waardoor de kom zich verder gaat ontwikkelen, dieper wordt, en zich goed om de heupkop gaat vormen.

Een spreidbehandeling duurt gemiddeld drie tot zes maanden. Je kind is tijdens de spreidbehandeling gewoon thuis, maar moet wel dag en nacht zijn spreidhulpmiddel dragen. Sommige kinderen hebben na deze behandeling nog kinderfysiotherapie nodig.

Spreidhulpmiddelen

De twee meest gebruikte spreidhulpmiddelen zijn de pavlikbandage (een soort tuigje) en de CAMP-spreider (een spreidbroekje). Welk hulpmiddel jouw kind krijgt, hangt onder andere af van zijn leeftijd en welke heupafwijking hij heeft.

  • Pavlik-bandage

    Dit tuigje wordt om de schouders, borst, beide enkels en voeten van je baby vastgemaakt. Door de bandage worden de benen gespreid en omhoog getrokken, tot de knieën 90 graden gebogen zijn. Door het tuigje kan je baby zijn benen niet strekken vanuit de heupen, maar hij kan zijn benen verder wel bewegen. De Pavlik-bandage wordt vooral gebruikt bij jonge baby’s. Oudere kindjes kunnen zich soms uit het tuigje werken, omdat ze te sterk zijn en te veel bewegen.

  • CAMP-spreider

    Dit is een spreidbroekje waarmee de benen van je kind in een vaste positie gehouden worden. Een spreidbroekje moet net als de Pavlik-bandage om beide benen, ook als je kind maar aan één kant heupdysplasie heeft.

Zowel het tuigje als het spreidbroekje moeten dag en nacht aan: het mag het alleen uit bij het verschonen en als je kind in bad gaat. De ontwikkeling van de heupen wordt ondertussen goed in de gaten gehouden. Als uit een nieuwe echo of röntgenfoto blijkt dat de afwijking verbeterd of verdwenen is, wordt de behandeling afgebouwd. Meestal mag het tuigje of spreidbroekje dan eerst overdag uit, terwijl je kind er ‘s nachts nog wel in slaapt. Op den duurt hoeft hij het helemaal niet meer aan.

Motorische ontwikkeling

Zo’n tuigje of spreidbroek is niet pijnlijk voor je kind, al kan hij de eerste dagen dat hij het draagt wat huilerig zijn omdat hij eraan moet wennen. Ook belemmert het de ontwikkeling van je baby in principe niet: een baby kan er gewoon mee leren rollen, zitten en zelfs kruipen. Staan en lopen is niet mogelijk met een spreidbroek, maar als heupdysplasie op tijd is ontdekt bij controle op het consultatiebureau, zal de behandeling waarschijnlijk al klaar zijn tegen de tijd dat je kind voor het eerst gaat staan. Mogelijk gaat hij wel iets later staan of lopen dan gemiddeld, maar op de lange termijn zal hij deze achterstand vanzelf weer inhalen.

Operatie

In de meeste gevallen is een spreidbehandeling voldoende om heupdysplasie te verhelpen maar dit moet wel zo snel mogelijk in gang worden gezet. Als de heupdysplasie pas na het eerste levensjaar wordt ontdekt is de kans op een operatie groter. Ook als de spreidbroek niet genoeg heeft gewerkt, kan het zijn dat er een operatie nodig is. Onder narcose wordt dan eerst geprobeerd om de heup stabiel in de kom te zetten. Heel soms moet de chirurg de heupkom wat dieper maken om de heupkop er goed in te kunnen plaatsen. Na de operatie moet je kind zo’n drie tot vier maanden in een spreidbroek van gips. In zo’n gipsbroek zit een gat bij het kruis, zodat je je kind kunt verschonen.

Heupdysplasie bij oudere kinderen

Heupdysplasie kan het beste zo vroeg mogelijk, liefst voor het eerste levensjaar, worden behandeld. Helaas wordt het niet altijd op tijd ontdekt. Toch kan een kind er ook later nog goed aan geholpen worden. Bij oudere kinderen is een spreidbehandeling meestal niet voldoende en is er ook een operatie nodig. Als de behandeling pas op latere leeftijd wordt gedaan, is de kans wel groter dat de heup niet volledig herstelt en dat je kind later alsnog pijnklachten krijgt of mank zal lopen.

Anna Baltus

Kinderfysiotherapeute

Anna is mede eigenaar van De Fysio Studio in Amsterdam waar zij kinderen van 0 tot 18 jaar behandelt. Anna is expert op het gebied van alles wat met motorische ontwikkeling bij kinderen te maken heeft. Haar doel is om kinderen binnen hun kunnen met plezier te laten bewegen, zonder beperkingen, pijn of angst.