Termen die je moet kennen als je kind naar de basisschool gaat

Termen die je moet kennen als je kind naar de basisschool gaat

Gaat je kind binnenkort voor het eerst naar school? Welkom in een nieuwe wereld, vol onbekende situaties en typische basisschool termen. Voorkom verwarring en een mond vol tanden met deze handige begrippenlijst.

De 14 meest voorkomende basisschool termen

Als je baby net is geboren krijg je van het kraambezoek vaak te horen: ‘Geniet er maar van, voor je het weet gaan ze naar school.’ Op dat moment is dat een ver-van-je-bed-show, maar het klopt aardig. De tijd vliegt en ineens is je kind vier jaar en begint er een nieuwe fase. School. En daarbij horen allerlei nieuwe basisschool termen. Handig om je van tevoren even in te lezen.

1. Klassenouder
De onvermijdelijke vraag aan het begin van elk jaar schooljaar: wie wil er klassenouder worden? De precieze taken kunnen per school verschillen, maar meestal komt het neer op het ondersteunen van de leerkracht als er iets wordt georganiseerd. Denk aan het Sinterklaasfeest of een uitje naar de bibliotheek met de hele klas. Je houdt de andere ouders op de hoogte en helpt bij de voorbereidingen. Een verjaarscadeautje regelen voor de juf of meester is meestal ook een eervolle taak van de klassenouder. Lees hier meer over hulpouder zijn en welke klusjes er te verdelen zijn.

2. Studiedag
Aan het begin van het schooljaar krijg je vaak een schoolkalender met alle vrije dagen en vakanties. Handig, maar let op: de zogenaamde studiedagen (ook wel: margedagen) staan hier niet altijd bij. Die krijg je vaak later pas te horen. Noteer ze direct in je agenda, want dan zijn je kinderen vrij. De leerkrachten verdiepen zich dan in de ontwikkelingen van de school, overleggen hierover of krijgen bijscholing. Gaat je kind naar de buitenschoolse opvang, dan kan hij daar op zo’n studiedag de hele dag terecht. Dat spreekt de school met de BSO af (zie ook punt 14). Check wel even of je hiervoor moet intekenen.

3. Infobulletin
Vergeet nooit om het infobulletin in je mailbox te openen, oftewel de nieuwsbrief van school. Hierin staan vaak belangrijke mededelingen. De studiedagen bijvoorbeeld, maar ook wanneer de schoolfotograaf komt (haren kammen), wanneer je kind verkleed mag komen (toch sneu als hij de enige ‘normale’ in de klas is), wanneer het speelgoeddag is (meestal de dag voor elke schoolvakantie), wanneer je hem bij de schooltuinen moet afleveren of (alarm!) dat er luizen zijn gespot.

4. IB’er
Als kinderen niet goed meekomen of (gedrags)problemen hebben op school komt de IB’er in actie: de Intern Begeleider. Die is er eigenlijk vooral om de meesters en juffen te begeleiden als ze zien dat een kind in hun klas extra aandacht nodig heeft. De IB’er kijkt met de leerkracht en meestal ook de ouders waarmee dit kind geholpen is en hoe ze dit kunnen aanbieden. Hij of zij gaat dus niet zélf aan de slag met het kind, maar kan eventueel wel begeleiding van buiten school adviseren en regelen.

5. AVI
Deze afkorting hoef je eigenlijk pas te kennen vanaf groep 3, als je kind gaat leren lezen. Het AVI-systeem (Analyse van Individualiseringsvormen) ordent leesstof in verschillende niveaus en meet hoe ver kinderen zijn in hun leesontwikkeling. Het zegt dus iets over het leesniveau van je kind, of er moet worden bijgestuurd en wat voor boeken je hem thuis te lezen kunt geven. Lees hier meer over AVI-lezen.

6. Luizenmoeder
En dan hangt er ineens een briefje op de deur: luizen gesignaleerd! Geen basisschool ontkomt eraan en daarom wordt aan het begin van het jaar vaak een luizenmoeder of -vader aangesteld. Hoor je andere ouders praten over de ‘kriebelmoeder’: dat is hetzelfde. Die controleert regelmatig (vaak na elke vakantie) het haar van leerlingen om een luizenplaag te voorkomen. Misschien niet het charmantste klusje, maar wel hartstikke nuttig. Hier lees je meer over hulpouder worden.

7. Luizenzak/-cape
Om de verspreiding van hoofdluis te voorkomen doen kinderen bij aankomst op school hun jas in een luizencape of -zak. Of dit daadwerkelijk effectief is in de strijd tegen deze kriebelbeestje? Daar zijn de meningen sterk over verdeeld, er zijn scholen die er niet in geloven en anderen blijven de zakken trouw onder het mom ‘baat het niet dan schaadt het niet’. Meestal kun je een luizenzak op school kopen of hangen ze al klaar, soms moet je het zelf regelen. Dat kan heel makkelijk online, zoek op ‘luizenzak’. Tip: check een keer in de zoveel tijd de luizenzak van je kind. Grote kans dat je vermiste voorwerpen als een broodtrommel, muts of gymschoen terugvindt.

8. Leerlingvolgsysteem (LVS)
Sinds schooljaar 2014-2015 werken basisscholen verplicht met een leerlingvolgsysteem (LVS), ook wel het leerling- en onderwijsvolgsysteem (LOVS) genoemd. Hiermee worden de prestaties van je kind, zijn groep én de school bijgehouden. Er zijn verschillende leerlingvolgsystemen en scholen mogen zelf bepalen met welke ze werken. Het meest gebruikt is het Cito Volgsysteem primair en speciaal onderwijs. De uitkomsten ervan gebruikt de school voor het schoolrapport en het onderwijskundig rapport (OKR).

9. Cito
Je kind maakt op de basisschool meerdere Cito-toetsen. Cito staat voor Centraal Instituut voor Toets Ontwikkeling. Dit instituut ontwikkelt examens en toetsen en neemt deze af. De uitslagen hiervan geven informatie over de prestaties van je kind: is de lesstof goed bij hem overgekomen? De score op de Cito-toets wordt omgezet naar een niveau en de niveauverdeling geeft aan hoe je kind het doet ten opzichte van het landelijke gemiddelde.

10. LLO-gesprek
Op de meeste basisscholen is er ook een Leerkracht-leerling-ouder-gesprek. Hier doet je kind zelf aan mee en het gaat over zijn gedrag en ontwikkeling. Omdat leerlingen tot en met groep 3 vaak nog te jong zijn om te kunnen reflecteren op hun gedrag, gaat dit meestal vanaf groep 4 spelen. Maar dan weet je lekker al wat LLO betekent.

11. 10-uurtje
Ook wel: de kleine pauze of het fruitmoment. Om 10:00 uur eten kinderen op de basisschool in de klas een tussendoortje, dat ze van thuis meekrijgen. Op veel scholen mag dit alleen fruit of brood en wat drinken zijn (geen koek of snoep), andere scholen laten ouders hier vrij in.

12. 10-minutengesprek
Drie keer per jaar is er een kort voortgangsgesprek met de juf of meester over de ontwikkeling van je kind: het ’10-minutengesprek’. Je krijgt hiervoor een uitnodiging of het wordt aangekondigd op het infobord bij de klas. De kookwekker staat er vaak bij en de tijd vliegt, dus lees hier hoe je je het beste kunt voorbereiden op een 10-minutengesprek.

13. TSO
Tussen de middag is je kind vaak even vrij om te eten. Dan mag hij naar huis of je kunt hem op school laten overblijven. Dit wordt ook wel TSO (tussenschoolse opvang) genoemd. Ook zijn er scholen met een continurooster: dan is er een kortere middagpauze, waarin alle kinderen op school blijven, en zijn ze eerder vrij.

14. BSO
BSO staat voor ‘Buitenschoolse opvang’. Kinderen van 4 t/m 12 jaar kunnen hier op doordeweekse dagen terecht. De meeste BSO’s zijn zelfstandig, maar vaak werken ze nauw samen met één of meerdere basisscholen in de regio. Elke basisschool is in elk geval verplicht om buitenschoolse opvang te bieden. Voor informatie hierover kun je dus altijd bij de school terecht. De BSO gaat open zodra ’s middags de eerste basisschool uitgaat en sluit rond half 7 (ook tijdens studiedagen, zie punt 1). De BSO is geen verlengde schooldag. Je kind hoeft er niet braaf op een stoel te zitten en krijgt geen taal- of rekenles. Wel zijn er vaak vrijblijvend activiteiten met een leerzaam element, onder leiding van een pedagogisch medewerker. Denk bijvoorbeeld aan knutselen of sporten.