basischool
door

Vanaf 2,5 jaar naar de basisschool: een goed idee?

Bij onze zuiderburen is het normaal: met 2,5 jaar gaat je kind naar de basisschool. Journalist Marijke de Vries woont er een aantal jaar, compleet ingeburgerd. Maar is ze er ook aan toe haar peuter-dochter binnenkort op het schoolplein te droppen?

Met twee moeders en een vader loop ik door een schoolgebouw in Brussel. Links en rechts zien we ruime, kleurrijke lokalen met bouwhoeken, zandtafels en planken vol boeken. Kinderen van tweeënhalf tot zes jaar delen hier ruimtes, legt de directrice uit. ‘Het is wel vermoeiend voor de allerkleinsten,’ zegt ze lachend. ‘Ik denk dat sommigen als ze om vier uur ’s middags thuiskomen meteen in slaap vallen, omdat ze geen middagdutje meer doen.’ De andere ouders knikken.

Advertentie

Ik schrik er een beetje van. Mijn man en ik wonen sinds 2016 in België en we waren inmiddels wel gewend geraakt aan het idee dat peuters hier tot tweeënhalf naar de – relatief goedkope – crèche gaan en daarna beginnen aan de (gratis) basisschool. Maar nu het concreet wordt, komen de twijfels. We gaan ook naar de informatieochtend op onze buurtschool. ‘Als kinderen heel moe zijn, leggen we er wel eens eentje apart,’ zegt de directrice. ‘We hebben een reservematrasje voor dat soort gevallen,’ hoor ik ergens anders.

Het vooruitzicht van onze dochter die de slaap probeert te vatten op een kaal matrasje achter de poppenhoek doet me geen goed. Is het wel zo’n goed idee om kinderen van tweeënhalf vier dagen per week van kwart voor negen tot tien voor half vier naar school te laten gaan, plus de woensdagochtend? Zijn peuters daar wel klaar voor? ‘Ada verveelde zich aan het eind op het kinderdagverblijf,’ zegt een bevriende Belgische moeder van wie de dochter net naar school gaat. ‘Wat doen Nederlandse kinderen al die jaren op de opvang?’ vraagt ze verbaasd als ze hoort dat het hier anders geregeld is. En: zijn kinderen niet eerder aan school toe, waar ze uitgedaagd worden door een hoger opgeleide juf?

Hier lees je hoe je jouw kind kunt voorbereiden op de basisschool.

Te grote groepen?

Aan Pauline Slot, universitair docent educatie en pedagogiek aan de Universiteit Utrecht, vraag ik waarom we in Nederland eigenlijk op ons vierde naar school gaan. Het is rijkelijk laat als je het vergelijkt met België. Slot doet onderzoek naar de kwaliteit van kinderopvang en de ontwikkeling van jonge kinderen. Volgens Slot is vier jaar niet per se laat. In alle ons omringende landen – ook in België – beginnen kinderen rond hun zevende levensjaar met ‘formeel onderwijs’. Denk aan: lezen, schrijven, rekenen. Dus net als in Nederland, in groep 3.

Het zijn de systemen voor kinderen van nul tot zes die variëren. In Scandinavië en Duitsland zijn opvang en kleuteronderwijs verweven. In Nederland en België zijn ze juist opgeknipt. ‘Je kunt zeggen dat Vlaanderen relatief vroeg is met een kleuterklas vanaf 2,5 jaar en Nederland wat later met vier.’  Op welke leeftijd je de overstap maakt, is minder belangrijk dan de vraag hoe je opvang en onderwijs inricht, stelt Slot. ‘Met name kwaliteitsvolle interactie tussen kind en leerkracht en het aanbod van spel in de groep dragen bij aan de ontwikkeling.’ Dat is belangrijker dan bijvoorbeeld groepsgrootte, zegt ze. ‘Al kun je natuurlijk stellen dat het met een grote groep moeilijker is om veel interactie te hebben.’

En daarmee is er wel een probleem op veel Vlaamse scholen, waar 24 kleuters het moeten doen met één juf en een (parttime) kinderverzorger, zegt Michel Vandenbroeck. Hij is hoofddocent gezinspedagogiek aan de Universiteit Gent en doet daar onderzoek naar de kwaliteit van kinderopvang en kleuteronderwijs. In een van de laatste studies analyseerde hij met zijn medewerkers meer dan 100 uur videomateriaal dat gemaakt werd in  kleuterklassen. De belangrijkste conclusie: de beste gesprekken, en dus de momenten waarop kleuters het meest leren, komen tot stand tijdens ‘zorgmomenten’. Wanneer een kleuter op het potje gaat bijvoorbeeld, of een schone broek krijgt na een ongelukje. In de klas zelf blijft de interactie – en daarmee het leren – beperkt. Dat komt door te grote groepen, maar ook door de aanpak van de leerkrachten, zegt Vandenbroeck.

Waar luiers verschonen, eten en slapen op een kinderdagverblijf als pedagogische momenten gelden, zien kleuterleerkrachten dat vooral als ballast, merkt Vandenbroeck. Die zorg wordt zoveel mogelijk overgelaten aan de ‘kinderverzorger’, iemand die de leerkracht ondersteunt om met alle leaking bodies te dealen: snot, pies en poep. ‘Zij krijgen weinig waardering, terwijl je verzorgen en leren niet zomaar van elkaar kunt scheiden. Ze hebben dus een heel belangrijke rol. Maar op school staat een beperkter concept van leren centraal dan in de kinderopvang. We zien dat twintig tot dertig procent van de schooldag op gaat aan wachten. Denk aan het in stilte aantrekken van de jassen om buiten te gaan spelen. Als leerkracht kun je daar ook een leermoment van maken, dan is het zelfs niet erg als zoiets twintig minuten duurt.’

Lees ook: Termen die je moet kennen als je kind naar de basisschool gaat

Zindelijk vanaf 2,5 jaar

De (gratis) Vlaamse kleuterschool is in de jaren zeventig ontstaan om gelijke kansen te creëren voor jonge kinderen. Al zou je kunnen zeggen dat hierdoor ook gelijkere kansen zijn ontstaan voor werkende moeders. ‘Men heeft destijds de lagere school naar beneden vertaald voor de kleuters, maar de zorg te weinig opgetrokken vanuit de crèche,’ zegt Vandenbroeck. ‘Dat zie je ook in de Vlaamse opleiding tot kleuterleerkracht: die focust op de omgang met en activiteiten voor 4- en 5-jarigen; er is weinig aandacht voor zorg en inspelen op het spontane gedrag van jongere kinderen.’ Volgens hem groeit pas de laatste jaren het besef dat peuters (en kleuters) er te bekaaid vanaf komen.

Mij valt vooral de Vlaamse terminologie op: spreken we in Nederland van dreumesen van anderhalf, in Vlaanderen hebben ze het op die leeftijd al over peuters. En een Vlaamse kleuter – vanaf 2,5 jaar – heet in Nederland nog een peuter. De taal lijkt de kinderen een stukje groter te maken, en daarmee ook de verwachtingen. Zo gaan Belgische kleuterscholen ervan uit dat ‘instappertjes’ (de jongste leerlingen) overdag droog zijn. Het is niet verplicht, benadrukt een directrice tijdens een schoolbezoek, maar als de juf 24 kinderen in de luiers heeft, komt ze natuurlijk nergens aan toe. Dus het is wel verstandig om thuis op tijd het potje tevoorschijn te halen. Rond de tweede verjaardag van onze dochter beginnen we haar daarom voorzichtig aan te moedigen. Ze wil best op het potje zitten. Met haar kleren aan. Voor het eerst verzucht mijn man: ‘Ik hoop wel dat het op tijd lukt.’

‘Dat lijkt me behoorlijk stressvol voor ouders,’ zegt Slot. ‘In Nederlandse kinderdagverblijven is er natuurlijk ook aandacht voor zindelijkheid, maar ik denk dat we er wat losser mee omgaan: heeft het kind er interesse in, zijn de ouders ermee bezig?’ Daarnaast is het helemaal niet gek als peuters bij grote veranderingen – zoals voor het eerst naar school gaan – een tijdelijke terugval hebben. ‘In Nederland is het uitgangspunt meer dat elk kind zijn eigen natuurlijke ontwikkeling volgt. Misschien zijn we daarin wel eens te makkelijk, waardoor het onnodig lang duurt, maar de druk voor Vlaamse ouders vind ik nogal wat.’ Onder Vlaamse ouders is er inderdaad flink wat potjesstress, hoor ik in mijn omgeving. ‘Die zindelijkheid was echt een issue,’ zegt ook Anke, de moeder van Sam (nu 4). ‘Onze school benadrukte dat het niet moest, maar kinderen mochten ook niet in luier komen. Ze zouden het na een paar natte broeken dan vanzelf wel leren, zei men. Uiteindelijk was Sam gelukkig op tijd zindelijk.’

Lees ook: Wanneer moet je je kind inschrijven op de basisschool?

Bezorgd

Er is een grote variatie in rijpheid tussen kinderen, zegt pedagoog Vandenbroeck. Gemiddeld zijn kinderen tussen hun tweede en zesde klaar voor zindelijkheidstraining. ‘Het  Vlaamse systeem heeft een soort norm gecreëerd die nergens goed voor is – behalve voor de leerkracht die er anders last van heeft.’ Datzelfde geldt voor het middagslaapje. ‘Daar is geen ruimte voor op de meeste scholen.’ Charlottes dochter Ada (3) moest flink wennen aan de dagen zonder dutje. ‘Toen ik haar na de eerste schooldag ophaalde, merkte ik dat het voor alle kinderen een zware dag was geweest. Er zat er eentje te slapen aan tafel en een ander lag languit op de mat.’ Die eerste week had sowieso veel impact, vertelt ze. Op de tweede dag viel Ada hard op het schoolplein, waar peuters en achtstegroepers door elkaar spelen. ‘Ze heeft daarna maandenlang elke speeltijd aan de kant gestaan.’ Haar dochter was echt wel klaar voor school, zegt ze, maar de school was niet altijd genoeg afgestemd op de peuters.

Vandenbroeck spreekt van een ‘constructiefout’. ‘We verwachten in Vlaanderen dat kleuters naar bepaalde instellingen gaan die niet voorzien zijn op deze leeftijdsgroep.’ Dat zie je ook tijdens de middagpauze, zegt hij. ‘Uit ons onderzoek blijkt dat tien procent van de kleuters niet eet op school. Ze zijn te moe, het is te druk in de eetzaal, ze zijn gestrest. En het toezicht merkt dat niet altijd op.’ Ook Anke maakte zich zorgen of haar dochter wel zou eten op school. ‘Ik vroeg me af of ze zich wel genoeg kon uitdrukken. Kon ze iemand vragen om haar broodtrommel open te maken?’ Achteraf was die bezorgdheid niet nodig. ‘Ze eten in de klas. De juf legt een kleedje op tafel en zet een bloemetje neer, daar wordt echt een moment van gemaakt.’ Uiteindelijk denkt Anke dat de overgang naar de kleuterklas haar dochter goed heeft gedaan. ‘Vanaf haar tweede had ze een heel lastige periode, met moeilijk gedrag. Toen ze eenmaal naar school ging, ging dat stukken beter. Haar ontwikkeling ging ook met sprongen vooruit, ze praatte veel beter.’ Niettemin vond Anke de overgang heftig. ‘Ze was nog zo klein.’ Mijn twijfels over de kleuterklas zijn intussen omgeslagen in bezorgdheid. ‘Er zijn grote verschillen tussen scholen,’ probeert Vandenbroeck die enigszins weg te nemen. ‘Je kunt bij de keuze van een school opletten of je je kind de klas in mag brengen, of er ruimte is om even met de leerkracht te kletsen. Dat zijn allemaal signalen: we zien vaak dat waar veel zorg is voor ouders er ook goede zorg is voor de leerlingen.’

Handig! Checklist basisschool kiezen

Dappere peuter

Het is moeilijk te zeggen wat het beste is voor een kind, zegt Vandenbroeck. ‘Er zijn tweeënhalfjarigen die heel autonoom zijn en zich vervelen op de crèche. De vraag is: hoe ziet de school of de crèche eruit en wie is mijn kind?’ Mijn kind: dat is een vrolijke, onophoudelijk zingende peuter die snel op haar gemak is bij vreemden, maar ook een meisje dat niet van druktemakers houdt. Een kind dat met 27 maanden soms nog een middagdutje doet van drie uur en op andere dagen de crèche op stelten zet omdat ze liever bij de baby’s gaat spelen.

We zouden haar nog tot haar derde verjaardag op de crèche kunnen houden, zoals een vriendin aan Anke adviseerde toen ze twijfelde wat goed was voor haar dochter Sam. In de praktijk blijken maar weinig Vlaamse ouders de overstap naar de kleuterklas uit te stellen. Ruim vier op de vijf peuters gaat meteen naar school. Ik denk dat onze dochter het niet leuk zou vinden om het ene na het andere vriendje te zien vertrekken naar school. Ze lijkt nu al geobsedeerd door de kinderen die afzwaaien en bij wie ze in de klas komt als ze ‘ook zo groot’ is. Onlangs mocht ze met de oudste kinderen uit haar groep een kijkje nemen in de kleuterklas van de school om de hoek. ‘Ze was helemaal niet bang,’ vertelt de crècheleidster ’s avonds.

Inwendig maak ik een vreugdedansje voor mijn dappere peuter. Toch blijf ik gemengde gevoelens houden bij de naderende overstap. Ik vind mezelf vrij nuchter en breng mijn kinderen – ingeburgerd als ik ben – zonder veel schuldgevoel vier dagen per week naar crèche, maar bij de gedachte aan de kleuterklas speelt mijn moederhart op. Ik heb nu al medelijden met onze ieniemienie peuter die alles zelf wil doen, maar ook nog veel bevestiging en kusjes op gestoten knieën nodig heeft en soms als een bange muis wegrent voor onze bejaarde poes. Voor het eerst denk ik: de Nederlandse kinderopvang is misschien zo gek nog niet, al kost het klauwen met geld.

Dit artikel is eerder verschenen in Ouders van Nu Magazine – Tekst: Marijke de Vries