Voorlezen aan je peuter

Voorlezen aan je peuter

Samen met je kind op de bank een verhaal lezen en plaatjes bekijken… Voorlezen is gezellig, belangrijk voor de taalontwikkeling en het stimuleert de fantasie van je kind. Hier handige tips voor peuterboeken voorlezen.

Voorlezen aan je peuter

Voorlezen is gezellig en speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van je kind. Naast het uitbreiden van de woordenschat en leren hoe een zin is opgebouwd, put je kind uit zijn ervaringen en spreekt hij zijn fantasie aan. Je peuter vindt het fijn om in boekjes herkenbare situaties tegen te komen. Dat geeft houvast, bijvoorbeeld als het verhaaltje gaat over een kind dat ook bang is in het donker. Of over iets simpels en dagelijks als een kind dat ook zijn tanden poetst voor het slapen gaan.

Voorlezen is in elke ontwikkelingsfase belangrijk. Leerzaam, maar bovenal is het een moment van rust en aandacht. Ook kun je aan de hand van het verhaal en de vragen die je stelt ontdekken wat je kind bezighoudt. En misschien kun jij daar weer mooi op inspelen door een boek te zoeken dat daarover gaat.

Wat begrijpt je kind?

Je kind begrijpt inmiddels meer dan losse woordjes, dus kun je kleine verhaaltjes voorlezen. In deze voorleesfase zorgen vooral plaatjes ervoor dat hij de taal begrijpt. Kinderen maken tussen het tweede en derde levensjaar een sprongetje. Van praten met twee woorden gaan ze naar wat langere zinnen, misschien al wel van vier of meer woorden.

Wanneer voorlezen?

Vind je het moeilijk om een geschikt moment uit te kiezen voor het voorlezen? Probeer dan eens deze tips:

  • Je kind moet leren begrijpen wat ‘lezen’ inhoudt. Door steeds de voorleessessie op dezelfde manier te beginnen (zeg: ‘Zullen we samen een boekje lezen?)’, weet je kind wat er gaat komen. Of laat elke keer als je begint met voorlezen dezelfde knuffel of handpop zien. Dan weet je kind: ‘Ha, we gaan fijn samen een boekje bekijken.’
  • Lees hetzelfde boekje een aantal keren voor. Dat biedt je kind houvast en herkenning. Vol trots zal hij al gauw meedoen, en bijvoorbeeld ‘blaffen’ nog voor je kunt vragen: ‘Wat doet het hondje?’.
  • Maak van de voorleesmomenten een vaste gewoonte. Kies daarvoor de tijd die jou goed uitkomt: lekker rustig ’s morgens vroeg, ’s middags samen op de bank of voor het slapen gaan.

Top 10 peuterboeken:

Praten over het verhaal

Als je kind zo’n drie jaar is, kun je samen praten over het verhaal. Stop eens midden in het verhaal met voorlezen en vraag je kind hoe hij denkt dat het verhaaltje verdergaat. Je kind zal je tijdens het voorlezen vast onderbreken met vragen. Ga daar vooral op in, maar pak het verhaal daarna ook weer op. Stelt hij geen vragen? Dan kun jij dat tussentijds doen. Stel je kind bijvoorbeeld een vraag over wat er te zien is; ook al kan je kind nog niet praten, vaak snapt hij een eenvoudige vraag wel (‘Zie jij het hondje? Wat zegt het hondje?’). Of kijk samen met je kind naar de kaft en bedenk waar het boek over zou kunnen gaan.

Fantasie

Van peuter naar kleuter neemt de behoefte toe om over de grens van het bekende te gaan. Tijd voor fantasie. Stimuleer je kind te fantaseren over het verhaal en er een mooie wending voor te bedenken. Hou je kind tijdens het voorlezen in de gaten. Verslapt zijn aandacht? Of vindt hij het verhaal een beetje eng? Pas dan je intonatie aan of sla een stukje over. Heeft jouw kind juist behoefte aan meer spanning? Dan kun je met je stem het verhaal nog spannender maken.

Voorleestips

Hier een aantal handige voorleestips op een rij.

  1. Praat eerst met je kind over de voorkant van het boek en bedenk samen waar het verhaal over zal gaan. Stel een vraag over de illustratie. Zo komen jullie in de voorleesstemming. Je kind wordt nieuwsgierig naar het boek.
  2. De eerste zin, daar win je veel mee. Lees die niet achteloos voor, want die eerste woorden zetten de toon. Hier gaat iets spannends verteld worden, iets machtig interessants. Iets wat we niet moeten missen. Ja, kruip nog maar wat dichter tegen me aan, want het is sen-sa-tioneel. Moet je horen…
  3. Herhaling. Herhaling. Herhaling. Kinderen vinden het prachtig dat ze weten wat er komt. Lees om die reden boeken gerust steeds opnieuw.
  4. Hoe jonger het kind is, hoe korter de verhaaltjes die je voorleest. Plaatjes kijken is minstens zo leuk, en vaak is in het begin een regel per bladzijde al genoeg.
  5. Emoties laat je zien met je ogen. Boosheid, verdriet of plezier. Moeheid, verwarring of verbazing. Met je uitdrukkingen geef je het verhaal non-verbale kracht en als je ze aanpast aan wat je vertelt, gaat het nog meer leven voor je kind.
  6. Vraag je kind of hij zelf weleens zoiets heeft meegemaakt, gehoord of gezien. En wat er toen gebeurde. Stel open vragen, zodat je kind wordt aangemoedigd om te vertellen.
  7. Ook met gebaren en je stem kun je het verhaal kracht bijzetten. Er zijn zes ‘spreekvarianten’: luid, zacht, hoog, laag, snel en langzaam. Speel daarmee om het voorleesmoment nog aantrekkelijker te maken.
  8. Vanaf de peutertijd ontwikkelt de fantasie van je kind zich. Samen een verhaal bedenken stimuleert die fantasie. Je kunt beginnen met bedenken hoe het verhaal afloopt. Dus op de helft of twee derde van het boek vraag je: hoe loopt het af?
  9. Klap niet na de laatste zin het boek dicht met een: ‘Zo, en nu naar bed’. Dan haal je je kind in één keer ruw uit het verhaal. Neem dus tijd voor het einde, zodat je kind zelf rustig uit het verhaal stapt.