De ligging van je baby

Ligging van je baby in de buik

Als je baby met 24 à 36 weken in de ‘achterhoofdsligging’ ligt, is dat het meest gunstig voor tijdens de bevalling. Toch liggen niet alle baby’s zo. Wat gebeurt er als jouw baby anders ligt?

Hoe ligt de baby

Slechts vijf procent van alle baby’s ligt niet met het achterhoofd naar beneden. Die liggen omgekeerd, dwars of wel met het hoofd naar beneden, maar kijken omhoog. Een andere ligging dan de achterhoofdsligging kan de bevalling lastiger maken en soms ook gevaarlijker. Dit zijn de verschillende soorten liggingen:

ligging babyIllustratie van verschillende soorten liggingen in de baarmoeder.

Achterhoofdsligging

Met z’n voeten opgekruld en zijn achterhoofd naar beneden: dat is de achterhoofdsligging. Dit is de meest voorkomende ligging en gelijk ook de meest ideale. In deze houding kan het hoofd van je baby zich aanpassen aan de vorm van jouw bekken. Zijn schedelbeenderen kunnen nog iets onder elkaar schuiven, waardoor z’n hoofd iets kleiner wordt en makkelijker door het geboortekanaal komt. Je baby daalt in met gebogen hoofd. Als er geen complicaties zijn en je baby ligt in deze houding, kun je thuis bevallen.

Achterhoofdsligging

Achterhoofdsligging, gezicht naar achteren en hoofd als eerste.

Stuitligging

Bij een stuitligging ligt je baby niet met zijn hoofd naar beneden, maar met zijn benen (volkomen stuitligging) of billen (onvolkomen stuitligging) naar beneden.

Van de Nederlandse baby’s ligt drie tot vier procent bij de geboorte met z’n billen naar beneden. Waarom een kind in een stuitligging ligt, is niet altijd duidelijk. In ongeveer vijfentachtig procent van de zwangerschappen is er geen verklaring voor de stuitligging.

Wel komt het vaker voor:

Draaien van je baby

Als je baby bij 36 weken zwangerschap nog niet met zijn hoofd naar beneden ligt, kan de verloskundige of gynaecoloog hem proberen te draaien. Dat heet een ‘versie’. Gemiddeld lukt het draaien in veertig (bij het eerste kind) tot vijftig procent (vanaf het tweede kind) van de gevallen. Als het niet goed voelt of je hebt te veel pijn, kun je ieder moment aangeven dat de arts ermee moeten stoppen.

Omdat een stuitligging bij de bevalling extra risico’s met zich meebrengt, verwijst de verloskundige je als je baby in de laatste weken van je zwangerschap (nog steeds) in stuit ligt, door naar het ziekenhuis. Daar zul je uiteindelijk onder begeleiding van een gynaecoloog bevallen. Mocht er iets misgaan, kan er gelijk worden ingegrepen.

Bij een stuitligging overleg je van tevoren met je gynaecoloog wat de opties en de risico’s zijn. Afhankelijk van de soort stuitligging en jouw gezondheid zal de gynaecoloog je de keuze geven of je natuurlijk of door middel van een geplande keizersnede wilt bevallen. In principe is de keuze aan jou, tenzij de gynaecoloog een natuurlijke bevalling niet ziet zitten, bijvoorbeeld als je baby vrij groot is of ongunstig ligt.

Bij een natuurlijke stuitbevalling is de kans op een (spoed)keizersnede alsnog groot. Laat je goed voorlichten door je verloskundige en gynaecoloog over de voor- en nadelen van zowel een natuurlijke stuitbevalling als een keizersnede.

Afwijkende hoofdliggingen

Het kan zo zijn dat je baby met zijn hoofd naar beneden ligt, maar een afwijkende hoofdligging heeft. Er zijn verschillende hoofdliggingen die afwijken van de achterhoofdsligging.

  1. Aangezichtsligging

    De baby ligt met zijn hoofd naar beneden, met het hoofd ver achterover gebogen. Hij ligt dus met zijn gezicht tegen de baarmoederhals aan. Deze houding maakt de bevalling lastiger, omdat er een breder gedeelte van het hoofdje geboren moet worden. De kans op een kunstverlossing (met verlostang of vacuümpomp) is groter. Ook kan deze ligging ervoor zorgen dat de ontsluiting wordt tegengehouden, waardoor er voor een keizersnede wordt gekozen.

    Aangezichtsligging

  2. Kruinligging

    De baby ligt met zijn hoofd naar beneden en houdt zijn hoofd rechtop. Hij ligt met zijn kruin tegen je baarmoederhals. Ook bij deze ligging moet er als eerst een breder gedeelte van het hoofd geboren worden, waardoor de uitdrijving langer kan duren. Bij deze ligging is een natuurlijke bevalling mogelijk, maar de kans op een kunstverlossing of inscheuren is groter dan bij een achterhoofdsligging.

  3. Voorhoofdsligging

    De baby ligt met zijn hoofd achterover, maar minder uitgesproken dan bij een aangezichtsligging. Hij ligt met zijn voorhoofd tegen de baarmoederhals. Als je baby in deze houding ligt, dan is een natuurlijke bevalling niet mogelijk omdat je baby in deze positie niet door het geboortekanaal past. De voorhoofdsligging kán tijdens de bevalling veranderen in een aangezichtsligging, waardoor de baby misschien toch via de natuurlijke weg geboren kan worden. Maar vaak wordt er een keizersnede ingepland.

    Voorhoofdsligging

  4. Sterrenkijker

    Als de baby een sterrenkijker is, ligt hij in een achterhoofdsligging, maar met de neus naar boven (richting je buikwand) in plaats van naar beneden. Een bevalling van een sterrenkijker duurt doorgaans langer en is vaak pijnlijker. Het hangt af van de verdere ligging en de grootte van je baby of er wel of niet voor een keizersnede wordt gekozen.

    Sterrenkijker

  5. Dwarsligging

    Bij een dwarsligging ligt je baby dwars in de buik in plaats van in de lengte. Deze ligging komt bij minder dan een half procent van alle zwangerschappen voor. Als het voorkomt, is het meestal bij vrouwen die al meerdere kinderen hebben gekregen of bij een meerlingenzwangerschap. Ook een placenta die voor het bekken ligt of een te nauw bekken kunnen de oorzaak zijn van een dwarsligging. Als er geen oorzaak te vinden is voor de dwarsligging, kan je gynaecoloog je baby vanaf 36 weken proberen te draaien. Blijft je baby in de dwarsligging liggen, dan is een natuurlijke bevalling niet mogelijk en wordt er gekozen voor een keizersnede.

    Dwarsligging